Slaap en paranoia zijn gerelateerd – maar hoe dan?

Gedachten Uitpluizen

Het is inmiddels wel duidelijk dat slaap(problemen) en paranoïde gedachten iets met elkaar te maken hebben. Toch blijft de vraag “Hoe dan?” grotendeels onbeantwoord. Deze studie doet een mooie poging om die vraag te beantwoorden. De auteurs duiken diep in de relatie tussen slaapproblemen (insomnia) en paranoia en nemen daarin een derde factor, namelijk negatieve emoties mee. Het lijkt daarmee een beetje op de experimentele studie van Reeve et al. (2017), ook in deze nieuwsbrief. En net als Reeve ea namen de onderzoekers hier niet alleen een subjectieve maar ook een objectieve maat van insomnia mee.

De onderzoekers zijn dus geïnteresseerd in de relatie tussen insomnia en paranoia. Ze hebben de hypothese dat negatieve emoties daar een rol in spelen. Ze hebben zich gericht op de algemene populatie (348 mensen) en dus niet op mensen met een psychotische stoornis. Het design van deze studie is vrij eenvoudig (de data-analyse een stuk ingewikkelder). Ze lieten deelnemers eerst hun stemming, slaapproblemen en paranoïde gedachten rapporteren met behulp van vragenlijsten. Vervolgens vroegen deze deelnemers of ze ook wilden participeren in het tweede deel van de studie (91 deden ook daaraan mee). Dit bestond uit een slaaponderzoek, waarin hun slaap een week lang gemonitord werd met behulp van een apparaat dat hun slaapkwaliteit (gewoon thuis, in hun eigen bed) in kaart kon brengen.
 
De onderzoekers hebben geanalyseerd of paranoia samenhangt met insomnia en of dit het geval is voor zowel met problemen met inslapen als met doorslapen. Ze vonden dat paranoia inderdaad gerelateerd is aan insomnia. Maar ook dat dit alleen geldt voor problemen met inslapen, niet met doorslapen. Daarnaast vonden ze dat de relatie tussen problemen met inslapen en paranoia volledig wordt verklaard door negatieve emoties. In andere woorden: slecht inslapen leidt tot meer paranoia via meer negatieve emoties. Verder vonden ze dat alleen insomnia gemeten met de vragenlijst (de subjectieve meting) gerelateerd was aan paranoia en niet de insomnia gemeten met het ‘slaapapparaat’ (de objectieve meting).
 

TEGENSTRIJDIGE BEVINDINGEN?

De resultaten van deze studie suggereren dat insomnia en paranoia niet direct gerelateerd zijn. In de eerste plaats vonden ze alleen een relatie tussen paranoia en de perceptie van slechte slaap en niet met de daadwerkelijke slaapkwaliteit. In de tweede plaats ging het dan vooral om het inslapen en niet het doorslapen. En in de derde plaats was deze relatie indirect via negatieve emoties. Het laatste punt van deze bevindingen is ook wat Reeve et al (2017) vinden, waarin de slaapduur eveneens fysiologisch werd gemeten: negatief affect is de route van hoe verstoorde slaap tot meer paranoia leidt. Echter, Reeve ea tonen met hun experimentele design weldegelijk een causaal verband van daadwerkelijke slaapvermindering met paranoia aan. Het gaat daar vooral om minder slapen (en ook later pas mogen inslapen); dat zorgde voor grotere kans op paranoia. Dit causale verband werd bevestigd door de studie van Freeman ea (2017), eveneens deze nieuwsbrief: doordat daarin met een RCT-design in de ene groep slaap verbeterd is, kon een causaal effect op andere klachten worden aangetoond. Dat dit in dit onderzoek deze relatie niet aantreft is dan ook opvallend. Een goede reden waarom dat zo is, hebben we nog niet kunnen bedenken.
 

Scott AJ, Rowse G, Webb TL (2017). A structural equation model of the relationship between insomnia, negative affect, and paranoid thinking. PLoS ONE 12(10): e0186233.

Artikel

De zorgstandaard psychose.

Gedachten Uitpluizen

De zorgstandaard psychose is uitgekomen. Hij is downloaden vanaf hier: http://www.kwaliteitsontwikkelingggz.nl/project/zorgstandaard-psychose/

 
Waarin verschilt de zorgstandaard van de multidisciplinaire richtlijn? Een eerste verschil met de multidisciplinaire richtlijn is de doelgroep lezers. Het was de bedoeling dat de zorgstandaard vooral consumenteninformatie zou bevatten over de zorg en de te verwachten resultaten daarvan. De tekst is inderdaad toegankelijker geworden dan de multidisciplinaire richtlijn, maar een koopgids voor patiënten is het nog lang niet.
 
Een tweede belangrijk verschil is dat deze zorgstandaard het stadiëringsmodel als uitgangspunt heeft. Het begint met de ultrahoog risicogroep (UHR), die geen psychotische stoornis heeft, maar wel een risico van 36% heeft in de komende drie jaar een eerste psychotische episode door te maken. Het tweede stadium betreft de eerste episode. De derde het onvolledig herstel en een recidiverend beloop. Het vierde stadium betreft de persisterend psychotische patiënten.

Een derde belangrijk verschil is de aandacht voor comorbide problemen en stoornissen. Zo is er aparte aandacht voor psychose en trauma.
 
Wat betekent de zorgstandaard voor ons cognitief gedragstherapeuten? Cognitieve gedragstherapie is standaardzorg bij UHR-patiënten en bij patiënten met positieve symptomen en affectieve symptomen in alle stadia. Cognitieve gedragstherapie moet ook aangeboden worden bij terugvalpreventie. Exposure behandeling of EMDR moet aangeboden worden bij comorbide PTSS. Cognitieve gedragstherapie is optioneel bij negatieve symptomen, problematisch middelengebruik (ook met motivationeel interviewen), zelfstigma (ook met COMET), zelfbeschadiging en suïcidaliteit (Tarrier protocol). Tabel 5.1 in de zorgstandaard (bladzijden 24 tot en met 26) geeft een mooi overzicht van welke behandelingen standaardzorg zijn en welke optioneel, wanneer de standaardzorg onvoldoende effect heeft.
 
Budget Impact Analyses zijn uitsluitend gedaan met stadium 1(UHR) en stadium 2 (Eerste episode patiënten. De cognitieve gedragstherapie bij UHR is kostenbesparend en de cognitieve gedragstherapie bij eerste episode patiënten is kosteneffectief. Cognitieve gedragstherapie is dus standaardzorg in alle stadia van psychose. Werk aan de winkel!

Behandeling van slaapproblemen bij paranoia

Gedachten Uitpluizen

Hoort slaaptraining in de psychosezorg? Kan behandeling van slaapklachten psychoseklachten verminderen (of voorkomen)? Nou en of! Het blijkt maar weer hoe ongelooflijk belangrijk het is om slaap bij onze psychose patiënten in de gaten te houden. Weer een artikel voor op je nachtkastje.
 
De onderzoekers wilden in een grote groep proefpersonen nagaan of de empirisch onderbouwde veronderstelling klopt dat verbetering van slaap ook verbetering van andere psychische klachten geeft, vooral paranoia en hallucinaties.

Ze zochten hun proefpersonen onder studenten: dat is een grote groep die goed online bereikbaar is. Studenten zitten bovendien in het kwetsbare leeftijdscohort waarin ernstige psychiatrische problemen vaak de kop opsteken, dus is het zinvol juist hen te onderzoeken. En bij studenten is een samenhang tussen slaapproblemen enerzijds en verhoogde paranoia, hallucinaties, angst, depressie en manie anderzijds al aangetoond, namelijk door de auteurs zelf.

Getest werd of een aanbevolen behandeling voor insomnia (CGT) verbetering geeft van a) insomnia, paranoia en hallucinaties, en b) van angst, depressie, nachtmerries, manie, psychisch welbevinden en de incidentie van psychiatrische aandoeningen.
 

Studenten van 26 universiteiten namen deel. De experimentele groep (n=1891) kreeg de als effectief beoordeelde online slaaptraining ‘Sleepio’ aangeboden (https://www.sleepio.com/ ), die uit 6 wekelijkse sessies van 20 minuten bestaat. Een smartphone app ondersteunt de digitale behandeling (bijvoorbeeld slaapregistratie bijhouden, of ontspanningsoefening luisteren). De controle groep (n=1864) ontving een standaardbehandeling in een groep (“usual practice”), wat volgens de auteurs zelf neerkomt op “… likely to mean receiving little or no treatment”.
 

De drop-out uit onderzoeksmomenten was aanzienlijk tijdens de studie (50%), vooral in de experimentele groep. Het bezoek aan online CGT sessies beoordelen de onderzoekers als laag: 69% logde in op minimaal 1 sessie, waarna aflopend slechts 18% inlogde op alle 6 sessies.

Ten opzichte van de usual practice groep verbeterden insomnia (grote effect size) en  paranoia en hallucinaties (kleine effect sizes) in de digitale CGT groep significant meer, zowel na behandeling als bij follow-up (22 weken). Na de online CGT voldeed 62% voldeed niet meer aan insomnia-criteria, versus slechts 29% niet meer na usual practice.

Ook angst, depressie, nachtmerries, manie, psychisch welbevinden en de incidentie van psychiatrische aandoeningen waren na online CGT beter dan na usual practice en ook deze effecten bleven na 22 weken behouden.

Dé cruciale bevinding was dat verbetering van de slaap maar liefst 60% (!) van de verbeteringen in paranoia en hallucinaties verklaarde.

Er valt altijd wat af te dingen op studies, maar hier valt niets op af te dingen: slaaptraining in de psychosezorg is een must! Is dat bij ons allemaal geregeld in de GGZ?

 

 

Freeman, D, Sheaves, B, Goodwin, GM, Yu, L-M, Nickless, A, Harrison, PJ, . . . Espie, CA (2017). The effects of improving sleep on mental health (OASIS): a randomised controlled trial with mediation analysis. The Lancet Psychiatry, 4(10), 749-758.

 

Artikel

CGT voor beter slapen bij mensen met stemmen en overmatige achterdocht

Dat CGT de best bewezen behandeling is voor slapeloosheid (insomnia) wisten we al, maar of het ook effectief is bij mensen met stemmen en overmatige achterdocht was nog niet onderzocht. Terwijl er juist bij deze mensen vaak óók sprake is van slapeloosheid. Deze studie is iets ouder dan de anderen in deze nieuwsbrief – maar vanwege de relevantie doen we hem erbij: over de effecten van CGT voor slapeloosheid bij mensen met een schizofrenie spectrum diagnose.

In een eerdere studie bij mensen met overmatige achterdocht had meer dan de helft (54%) last van slapeloosheid en was er bij 30% sprake van subklinische symptomen van slapeloosheid. Slechts 16% sliep goed. Slecht slapen hangt samen met psychotische verschijnselen. Het hangt bijvoorbeeld nauw samen met paranoia, en met bijzondere en ongewone ervaringen bij kinderen. Familieleden van patiënten met schizofrenie zien slaapproblemen meer dan enig ander signaal voorafgaan aan een terugval in een psychotische episode.

Toch wordt er eigenlijk vrij weinig aandacht besteed aan (het routinematig in kaart brengen en) het behandelen van slapeloosheid bij psychose gevoeligheid. Vóór 2015 is er ook geen enkele gecontroleerde studie te vinden over de psychologische behandeling van slapeloosheid bij schizofrenie spectrum stoornissen. Daar is nu gelukkig inmiddels grondige verandering in gekomen – vandaar deze speciale nieuwsbrief.
 
Een bekende groep Britse groep psychose experts deed een prospectieve, geblindeerde en gecontroleerde pilotstudie bij 50 patiënten (18-65 jaar) die duurzaam last hadden van overmatige achterdocht en/of hallucinaties binnen de context van slapeloosheid en een schizofrenie spectrum diagnose. Deze studie staat bekend onder de naam BEST (Better Sleep Trial). Alle 50 deelnemers ontvingen standaardzorg, maar bij 24 deelnemers werd ook een CGT-slaapprotocol gegeven, gericht op het verbeteren van slaap, bestaande uit 8 sessies verspreid over 12 weken. Patiëntkenmerken in beide groepen waren vergelijkbaar, met hoge niveaus van depressie in beide groepen.
 
Primaire uitkomstmaten waren insomnia, overmatige achterdocht en hallucinaties. Secundaire uitkomsten waren o.a. slaapkwaliteit, totale slaaptijd, wakker worden in de nacht, totaalaantal positieve en negatieve symptomen, paranoïde gedachten, vermoeidheid, kwaliteit van leven, en welzijn.
 
Vergeleken met de controlegroep die alleen standaardzorg kreeg, verbeterde in de CGT-groep de slaap aanzienlijk (effect size van 1,9 na 12 weken). Deze verbeteringen hielden ook stand bij follow-up (effect size van 1,2 na 24 weken). Deze tendens gold ook voor de secundaire uitkomstmaten, maar significantie was afwezig doordat er sprake was van een brede verspreiding van zowel toegenomen als afgenomen psychotische verschijnselen. Dat gold ook voor zowel de primaire als de secundaire uitkomsten.
 
Een groter, multicentrisch onderzoek was hard nodig is om te onderzoeken of het positieve effect van CGT voor insomnia kan worden bevestigd voor zowel het slapen als voor secundair ook de psychotische verschijnselen. Dat onderzoek is inmiddels uitgevoerd en gepubliceerd en wordt ook besproken in deze nieuwsbrief!
 

Freeman, D., Waite, F., Startup, H., Myers, E., Lister, R., McInerney, J., …Yu, L-M. (2015). Efficacy of cognitive behavioural therapy for sleep improvement in patients with persistent delusions and hallucinations (BEST): a prospective, assessor-blind, randomised controlled pilot trial. The Lancet, 2(11), 975-983.

Artikel

 

Behandeling van slaapproblemen van mensen met ultrahoog risico (UHR) op psychose

Slapeloosheid wordt niet alleen als in standhoudende factor bij psychose gezien, maar ook als oorzaak. Logisch dus om slaapproblemen bij de UHR-groep (mensen die nog nooit een psychose hebben gehad, maar er wel een verhoogd risico op lopen) te behandelen en te kijken of dit misschien de subklinische psychose klachten vermindert of zelfs psychose kan helpen voorkomen.
 
Twaalf mensen met UHR-profiel kregen een slaap-CGT-behandeling van 8-sessies aangeboden. Elf van hen volgden alles tot het einde. De cliënten zijn echter niet lang gevolgd; slechts 1 maand na afronding van de interventie. Wel bleek dat de slaapkwaliteit aanzienlijk verbeterde, en dat dit ook samenging met gunstige veranderingen op gebied van stemming en subklinische psychose klachten.
 
Geen van de cliënten had in de duur van de studie (4 maanden) een daadwerkelijke psychose gekregen. Of ze dat wel hadden gekregen als ze geen slaap-interventie hadden gehad, is moeilijk te zeggen. Het functionerings-criterium van UHR-profiel werd niet meegenomen, waardoor deze groep cliënten misschien toch een relatief laag risico op psychose had.
 
Maar dat stemming verbeterde en subklinische psychose klachten verbeterden is een gunstige indicatie. Het aanpakken van slaapproblemen binnen deze groep lijkt nuttig voor deze klachten, en is tegelijkertijd op zichzelf staand ook gewoon zinvol voor de ervaren slaapproblemen zelf.
 

Bradley J, Freeman D, Chadwick E, Harvey AG, Mullins B, Johns L (2017). Treating sleep problems in young people at ultra-high risk of psychosis: a feasability case series. Behavioural and cognitive psychotherapy, in press.

Artikel

Iemand bewust fors minder laten slapen -> grotere kans op psychose?

Gedachten Uitpluizen

Slapeloosheid kenmerkt zich door moeite met in slaap vallen, niet kunnen doorslapen of te vroeg wakker worden. Als slapeloosheid langere tijd aanwezig is kan dit leiden tot gezondheidsrisico’s zoals overgewicht, diabetes of somberheid. Er zijn studies die aantonen dat slapeloosheid ook samenhangt met psychotische ervaringen, maar hoe zit deze relatie precies in elkaar? Is er bijvoorbeeld sprake van een causale relatie?

 
Via advertenties werden vrijwilligers uit de omgeving van Oxford tussen de 18 en 30 jaar uitgenodigd om mee te doen aan het onderzoek. De onderzoekers kozen voor een leeftijdsgrens om het effect van ouder worden op de kwaliteit van slaap uit te sluiten, en omdat psychotische ervaringen vaak optreden in deze leeftijdsgroep. De deelnemers moesten vrij zijn van slaapproblemen, depressies, en psychiatrische stoornissen in het verleden. In totaal deden er 68 deelnemers mee.
 
Bij dit onderzoek werden twee groepen met elkaar vergeleken, waarbij beide groepen aan twee condities werden onderworpen. De ene groep kreeg de opdracht om in de eerste week gedurende 3 nachten 4 uur later naar bed te gaan (slaaprestrictie). De controlegroep sliep die week zoals normaal. In de tweede week ging het andersom: de eerste groep moest zoals gewoonlijk te slapen terwijl de tweede groep de slaaprestrictie uitvoerde.
 
Bij de slaapdeprivatie werd gemiddeld 5.15 uur geslapen, tegenover 6.58 uur bij de standaard slaap. Slaapdeprivatie leidde tot meer achterdocht, hallucinaties en cognitieve desorganisatie vergeleken met de standaard slaap. Het leidde echter niet tot meer grootheidsgevoelens. Wel werd verder een toename in depressie, angst, negatieve gedachten over zelf en anderen en piekeren gevonden na de slaapdeprivatie. Ook werden er problemen ervaren in het werkgeheugen.
 
Het bleek dat met name negatief affect de relatie tussen slaapdeprivatie en achterdocht verklaarde. Hiermee lijkt er dus sprake te zijn van een causale relatie. In de praktijk betekent dit dat achterdocht mogelijk kan verminderen als er meer aandacht komt voor negatief affect en piekeren. Ook zouden veel mensen met psychotische ervaringen gebaat kunnen zijn bij een evidence based behandeling voor slaapproblemen (Freeman et al., 2015).
 

Freeman, D., Waite, F., Startup, H., Myers, E., Lister, R., McInerney, J., … & Foster, R. (2015). Efficacy of cognitive behavioural therapy for sleep improvement in patients with persistent delusions and hallucinations (BEST): a prospective, assessor-blind, randomised controlled pilot trial. The Lancet Psychiatry2(11), 975-983.

Artikel
 
Reeve, S., Emsley, R., Sheaves, B., & Freeman, D. (2017). Disrupting Sleep: The Effects of Sleep Loss on Psychotic Experiences Tested in an Experimental Study With Mediation Analysis. Schizophrenia Bulletin. doi:10.1093/schbul/sbx103.

Artikel

De invloed van traumabehandeling op psychose symptomen

Gedachten Uitpluizen

Een recente meta-analyse toonde al aan dat traumagerichte psychologische behandelingen effectief lijken te zijn in het behandelen van PTSS bij mensen met psychosen (Sin & Spain, 2017). Vooral therapieën met directe traumaverwerking (exposure) bleken effectief te zijn. Maar wat is het effect van traumagerichte psychologische behandelingen op de psychose symptomen?

Een groep Australische onderzoekers zocht dit uit. Zij vonden 25 studies over traumabehandeling bij psychose. Een flink deel hiervan betrof gevalsbeschrijvingen en pilotstudies van lage kwaliteit en dus grote kans op vertekende resultaten. Gemiddeld laten deze studies een positief beeld zien over traumabehandeling bij psychose. Het is veilig, PTSS neemt af zoals we al wisten, en de effecten op psychose symptomen en bijvoorbeeld angst en depressie zijn positief (nemen af) tot neutraal (blijven gelijk).

De auteurs voerden een meta-analyse uit over de data van 12 gecontroleerde en ongecontroleerde effectstudies met in totaal 520 deelnemers. Van deze 12 studies waren echter slechts 5 van voldoende kwaliteit. In 1 van die 5 studies werd geen PTSS behandeld, maar werd middels schrijfopdrachten geprobeerd de ervaring van psychose minder vervelend te maken. Hoewel een psychose meemaken traumatiserend kan zijn en ook tot posttraumatische stress klachten kan leiden, is er in de meeste gevallen geen sprake van PTSS. Van de overige 4 studies waren er 2 waarin respectievelijk slechts 15.7% en 33% van de deelnemers een psychotische stoornis hadden (de rest had overige ernstige psychische stoornissen). Van deze 2 studies werd hier dus alleen de psychose subgroep data gebruikt, maar dat waren uiteindelijk slechts een klein aantal deelnemers.

Kortom, het is eigenlijk wat vroeg voor een meta-analyse op dit gebied. Maar omdat aan meta-analyses vaak gerefereerd wordt, willen onderzoekers geregeld de eerste zijn die een meta-analyse publiceren en daarom worden ze toch al snel ter publicatie aangeboden bij tijdschriften, als is het er eigenlijk nog te vroeg voor.

De meta-analyse, waarvan we dus niet moeten vergeten dat deze veel beperkingen kent, laat zien dat de effecten op psychose symptomen vrij bescheiden zijn. In vergelijking met standaardzorg nemen positieve symptomen af en zijn de effecten op negatieve symptomen klein en niet significant (niet alle studies hadden negatieve symptomen gemeten). Als je naar losse symptomen kijkt, dan zijn er bescheiden effecten op wanen en kleine, niet significante, effecten op stemmen. Duidelijk is dat psychose symptomen in ieder geval niet verslechteren. Hetzelfde blijkt voor symptomen van depressie en angst.

Een andere belangrijke noot bij deze meta-analyse is dat een aanzienlijk deel van de studies behandelingen onderzochten die niet effectief bleken te zijn in het verminderen van traumaklachten. Het is, als je naar de losse studies kijkt, nog steeds aannemelijk dat psychose symptomen, vooral achterdocht en andere wanen, af zullen nemen als traumaklachten effectief behandeld worden. De onderzoekers bekeken of type behandeling (behandeling met directe traumaverweking/exposure versus behandeling zonder directe traumaverweking) de uitkomsten beïnvloedde. En dat bleek inderdaad het geval. De effecten op zowel PTSS als op positieve psychose symptomen waren aanzienlijk groter bij behandelingen met directe traumaverweking, zoals exposure en EMDR.

Er is behoefte aan meer studies van hoge kwaliteit op het gebied van traumabehandeling bij psychose. In Nederland wordt gewerkt aan een vervolg op de TTIP-studie. Hierin zullen traumabehandelingen met en traumabehandelingen zonder directe traumaverwerking voor het eerst direct met elkaar vergeleken worden bij mensen met psychosen. Met een beetje mazzel gaat deze studie in 2018 van start en neemt een flink aantal Nederlandse GGZ-instellingen eraan deel. Tot die tijd is het verstandig vooral exposure en EMDR te gebruiken bij de behandeling van traumatische stressklachten bij mensen met psychose.

Brand, R. M., McEnery, C., Rossell, S., Bendall, S., & Thomas, N. (2017). Do trauma-focussed psychological interventions have an effect on psychotic symptoms? A systematic review and meta-analysis. Schizophrenia Research. doi:10.1016/j.schres.2017.08.03

Artikel

Leidt schaamte tot stemmen?

Gedachten Uitpluizen

In het artikel met de prikkelende titel “Is shame hallucinogenic?” moedigt Simon McCarthy-Jones ons aan om na te denken over de rol schaamte in het ontstaan van stemmen. Heb je zin in een out-of-the-box artikel over hallucinaties? En vind je het wel interessant als een wetenschapper durft te schrijven dat zijn voorstel “highly speculative is, yet may offer a fruitful new way to think about voice-hearing”?

We weten steeds meer over de cognitieve mechanismen die een rol spelen in het horen van stemmen en gebruiken dit ook volop -en met succes- in onze psychologische behandeling. Het blijft echter moeilijk om een vinger te leggen op de precieze relatie tussen stemmen horen en emoties. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat emoties een rol kunnen spelen in het ontstaan en in stand houden van het horen van stemmen en ook een belangrijke consequentie ervan zijn. In dit artikel focust Simon McCarthy-Jones op de rol van emoties, en dan meer specifiek schaamte, in het ontstaan van stemmen. Zijn hypothese is dat er een causale relatie bestaat tussen schaamte en auditief-verbale hallucinaties (stemmen), waarbij schaamte niet alleen een rol speelt in de inhoud van de stemmen maar ook in het ontstaan ervan. De auteur geeft aan dat er nog geen is specifiek onderzoek is gedaan naar deze hypothese en beschrijft dus alleen indirecte bevindingen die hem tot deze hypothese hebben gebracht. Hij is echter iemand die zelf ander onderzoek over stemmen gepubliceerd heeft.

Allereerst laat hij zien dat er vanuit historische en eigentijdse case-studies naar voren komt dat er een link is tussen de schaamtevolle inhoud van stemmen en eerdere schaamtevolle ervaringen. Hij noemt hierin -vanuit de praktijk herkenbare- voorbeelden van mensen die stemmen horen die hen uitmaken voor hoer of pedofiel en zijn gelinkt aan bepaalde seksuele fantasieën of ervaringen. Vervolgens duikt hij in de PTSS-literatuur en beschrijft hij hoe schaamte een mediërende rol kan spelen in de relatie tussen (seksueel) trauma en stemmen horen. Zo is schaamte geassocieerd met de ernst van PTSS-symptomatologie, medieert schaamte de behandeleffecten van psychologische interventies voor PTSS en zijn de stemmen vaak gelinkt aan traumatische gebeurtenissen waar men zich voor schaamt. Tenslotte probeert de auteur een antwoord te geven op de vraag welke mechanismen dan een rol zouden spelen in de relatie tussen schaamte en stemmen horen en hoe dit evolutionair verklaard zou kunnen worden. Dit is een interessant -en ook controversieel- onderdeel van dit artikel en vraagt teveel woorden om in deze samenvatting genuanceerd weer te geven. Hij komt in ieder geval uit op dissociatie, onderdrukking, hypervigilantie en rumineren als mogelijke mechanismen die de relatie tussen schaamte en stemmen horen kunnen verklaren.

Simon McCarthy-Jones moedigt ons aan om door te denken over zijn hypothese en er ook wetenschappelijk onderzoek naar te gaan doen. Hij maakt hierbij de kanttekening dat er een belangrijke uitdaging ligt in het meten van schaamte. Er is geen gouden standaard voor het meten van schaamte en het lijkt erop dat vragenlijsten schaamte alleen accuraat kunnen meten bij mensen met een hoog niveau van zelfbewustzijn, terwijl het juist vaak meer “verborgen” zou kunnen zijn en er dus meer impliciete of non-verbale meetinstrumenten gebruikt zouden moeten worden. Kortom: het is niet eenvoudig maar in ieder geval de moeite waard om eens over door te denken en praten.

McCarthy-Jones, S. (2017). Is Shame Hallucinogenic? Frontiers in Psychology – hypothesis and theory. Artikel

Bronmonitoring bij visuele hallucinaties

Gedachten Uitpluizen

Het is bekend dat psychotische stemmenhoorders fouten kunnen maken in de monitoring waardoor de illusie ontstaat dat hun eigen innerlijke spraak extern uitgesproken spraak zou zijn. Maar hoe zit dat bij mensen met visuele hallucinaties? Zou dat net zo werken? Zo’n mechanisme simpel overzetten van stemmenhoren naar visioenen zien: ze verwarren innerlijke beelden (imagery) met externe gebeurtenissen?

Naar visuele hallucinaties (VH) is veel minder onderzoek gedaan dan naar auditieve hallucinaties (AH). AH worden soms verondersteld het gevolg te zijn van innerlijke spraak, die door een realiteitstoetsingsprobleem (foute bronmonitoring) van de verkeerde labeling en daarmee ervaring wordt voorzien dat de spraak van buiten komt. Veel studies onderbouwen deze hypothese. Het lag dus voor de hand om deze hypothese uit te breiden naar VH: innerlijke beelden worden verkeerd gelabeld als externe beelden. In de eerste studie hiernaar (Brebion, Ohlsen, Pilowsky, & David, 2008) concludeerden de onderzoekers dat inderdaad bij VH een vergelijkbaar proces speelt als bij AH: psychotische VH-proefpersonen zouden woorden sneller omzetten in beelden dan niet VH-proefpersonen. Door een snellere woord-naar-beeld-omzetting zouden ze eerder in de war raken met beelden die écht van buiten gepresenteerd worden (wat nog steeds een of ander realiteitstoetsings- cq bronmonitoringprobleem impliceert als bijkomende factor).

De onderzoekers van het onderhavige artikel besloten een herhaald onderzoek te doen, maar nu met meer proefpersonen dan de originele studie en met een betere controlegroep. In Experiment 1 onderzochten ze reality monitoring in proefpersonen met psychose, van wie 16 deelnemers wel, en 15 geen VH hadden. In experiment 2 zaten niet-klinische proefpersonen, van wie 26 deelnemers een hoge en 21 een lage predispositie voor VH hadden. Allen deden dezelfde object reality monitoring taak. Deze taak bestond erin om: (1) 16 paren van telkens 1 woord (‘fluit’) + 1 plaatje (een piano) in één van 16 categorieën te plaatsen (“muziekinstrumenten”); (2) in een herkenningstaak 64 woorden en plaatjes te sorteren op welke daarvan wel en welke niet in fase 1 gepresenteerd werden; en (3) in een herkenningstaak aan te geven welke van de 32 in fase 1 gepresenteerde stimuli een woord of een plaatje waren. Experiment-groep 2 kreeg behalve de monitoringtaak ook nog vragenlijsten over imagery (Launay Slade Hallucination Scale (LSHS), Spontaneous Use of Imagery Scale (SUIS), Vividness of Visual Imagery Questionnaire (VVIQ) en de Prospective Imagery Task (PIT).
En ze vonden: bar weinig verschillen. Nauwelijks verschillen in object reality monitoring tussen VH- en niet-VH-proefpersonen. Geen verschil in prestaties op de beide herkenningstaken. Wel komt naar voren dat sterk visueel hallucinerende proefpersonen, woorden vaker verwarren met plaatjes, dan niet-VH. Deze misattributie zou typisch kunnen zijn voor VH-cliënten en wellicht een rol spelen in de problematiek van hallucinaties. De onderzoekers speculeren dat VH-cliënten wellicht meer levendige imagery ervaren wanneer ze aan bepaalde concepten denken. Maar het moge duidelijk zijn: er is nog veel werk te verrichten, want de bewijzen voor de hypothese dat VH-processen lijken op gevonden AH-processen stapelen zich met deze studie nog niet bepaald hard op.

Aynsworth, C, Nemat, N, Collerton, D, Smailes D, & Dudley R (2017). Reality monitoring performance and the role of visual imagery in visual hallucinations. Behaviour Research and Therapy, 97, 115-122. DOI: 10.1016/j.brat.2017.07.012

Artikel

Wat voor soort zelfgerichte aandacht leidt tot achterdocht?

Gedachten Uitpluizen

Er zijn verschillende soorten zelfgerichte aandacht. Rumineren over jezelf, je lichaam, en je gedachten is vaak stress-verhogend. Rumineren is ‘herkauwen’; negatief en oordelend blijven piekeren over wat er gebeurd is over ongunstige aspecten. Maar mindful bewust zijn van jezelf en je gedachten kan juist stress-verlagend werken. Mindfulness is minder oordelend en meer in het hier-en-nu. Hoe hangen deze twee vormen van zelfgerichte aandacht samen met de kans op achterdocht?

Engelse onderzoekers hebben een experiment gedaan met 32 niet-zieke studenten. Deze waren geselecteerd uit een groep van 229, op basis van tenminste enige achterdocht-niveaus op een vragenlijst. Bij allemaal werd eerst zoveel mogelijk achterdocht geactiveerd door de deelnemer te laten vertellen over diens hoogst-gescoorde item op de achterdocht-vragenlijst, en 1 minuut in die herinnering op te gaan. Daarna gingen ze 8 minuten rumineren of ze gingen 8 minuten mindful bewust zijn. Ook werd gecheckt of deze taken juist uitpakten.

Uitkomst: het bleek dat de achterdocht daalde na de mindfulness oefening, terwijl de achterdocht aanhield (in stand bleef) wanneer mensen rumineerden. Het oordelend rumineren over het verleden (een moment waarop je achterdochtig was) en over jezelf is dus een in-stand-houdende factor voor achterdocht. En een target voor behandeling.

McKie A, Askew K, Dudley R (2017). An experimental investigation into the role of ruminative and mindful self-focus in non-clinical paranoia. Journal of behavior therapy and experimental psychiatry, 54, 170-177.

Artikel