Interpersoonlijke factoren bij paranoia

Gedachten Uitpluizen

Ben ik achterdochtig omdat ik mijn fragiele zelfbeeld wil verdoezelen door anderen te beschuldigen en verdenken? Of ben ik achterdochtig omdat de wereld me heeft bedonderd, of doordat ik zo slecht over mezelf denk dat ik ook verwacht dat anderen dat van me vinden en me op mijn zwakte zullen pakken? Waarom let ik altijd op anderen en ben ik bang voor afwijzing?

Uit onderzoek van Freeman (2005) is gebleken dat paranoïde gedachten in de algemene populatie exponentieel zijn verdeeld: veel mensen hebben weinig paranoïde gedachten en weinig mensen hebben er veel. Waarmee maar gezegd is: het komt overal wel voor.

Lang is verondersteld (o.a. Freud; Bentall) dat paranoia, dus het kwade intenties toeschrijven aan anderen, bedoeld is om een positief ideaal-zelfbeeld in leven te houden als psychologische vorm van zelfverdediging tegen hoe de persoon zich feitelijk voelt: onzeker, klein en kwetsbaar. Cognitieve modellen daarentegen (o.a. Garety, Freeman) veronderstellen dat feitelijke misstanden in iemands groei en ontwikkeling – trauma’s en andere narigheid – de persoon opzadelen met negatieve kernopvattingen over zichzelf en met achterdocht naar anderen. Het cognitieve model steunt meer op bewijs dan het ‘zelf-verdedigingsmodel’.

Na bespreking van deze modellen gaan de auteurs in op hun eigenlijke interesse: interpersoonlijke sensitiviteit (afgekort als InSens, beter geen IS). InSens als construct omvat: een negatief zelfbeeld (‘fragile inner self’) maakt de persoon overmatig bewust van zichzelf in sociale situaties (‘interpersonal awareness’), het roept een behoefte aan goedkeuring op (‘need for approval’), angst voor afwijzing (‘separation anxiety’) en schroom (‘timidity’). Al deze componenten van InSens worden uitgevraagd in de Interpersonal Sensitivity Measure (IPSM) en niet toevallig speelt deze vragenlijst een centrale rol in dit artikel. In deze review studie naar InSens-processen in paranoia onderzoeken de auteurs bewijs of InSens en al de componenten ervan, gelinkt zijn aan paranoia – bij patiënten, in algemene zin, en bij state of bij trait-paranoia.

Na literatuur doorzoekingen en artikelen selectie bleven 14 methodologisch geschikte paranoia-studies voor de review over met algemene en patiëntengroepen en samen goed voor 12.138 proefpersonen. De studies verschilden onderling in gebruikte meetinstrumenten voor paranoia en InSens. Des te opmerkelijk is het daarom dat er toch over alle artikelen heen een duidelijk en sterk verband tussen paranoia en InSens gevonden werd: bij patiënten, in de algemene populatie, bij trait paranoia en (hoewel zwakker) bij state paranoia. Deze bevindingen steunen het cognitieve model duidelijk meer dan het ‘zelf-verdedigingsmodel’, stellen de auteurs (hoewel het zelf-verdedigingsmodel er niet door wordt tegengesproken, zou je kunnen tegenwerpen). Vooral het negatieve zelfbeeld (‘fragile inner self’) bleek stevig gelinkt aan paranoia.

Enkele aanbevelingen van de auteurs tot slot: gebruik de IPSM in toekomstige studies en onderzoek de diverse elementen van InSens verder. Het zou belangrijk kunnen zijn om meer te leren over InSens, al voordat er paranoïde klachten zijn ontstaan (denk aan UHR). Het is misschien tijd om specifieke interventies te ontwerpen voor verhoogde interpersoonlijke sensitiviteit.

Meisel SF, Garety PA, Stahl D, Valmaggia LR. Interpersonal processes in paranoia: a systematic review. Psychological Medicine Artikel