Maakt het uit of je patiënt zijn stemmen in het hoofd of door de oren hoort?

Gedachten Uitpluizen

Hoe stemmen horen beleefd wordt, verschilt per persoon. Al sinds de 19e eeuw zijn de wetenschappers het er nog niet over eens geworden of het uitmaakt of stemmen al of niet in het hoofd of door de oren gehoord worden. In dit recente onderzoek werd daarom een gedetailleerde analyse hiervan gedaan voor een groep van ambulante stemmenhoorders. Kan de eeuwenoude vraag eindelijk beantwoordt en ad acta gelegd worden?

Er is al behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de verschillen tussen stemmenhoorders die hun stemmen als intern of extern waarnemen. Maar de resultaten spreken elkaar tegen. In eerder onderzoek is bijvoorbeeld gevonden dat externe stemmen korter aanhouden, pas ontstaan als iemand al een tijdje een diagnose heeft, en ook meer schadelijke effecten hebben omdat ze samen kunnen hangen met zelfverwonding en suïcidale gedachtes. Externe stemmen worden vaak ook als minder duidelijk ervaren. In een andere studie is gevonden dat externe stemmen vaak gepaard gaan met minder ziekte-inzicht, en dat ze frequenter optreden. Externe stemmen worden ook vaker geïnterpreteerd als afkomstig te zijn van een mens of een externe kracht of macht. Interne stemmen zijn negatiever, geven meer last en houden langer aan. Men ervaart er minder controle over en ze zijn geassocieerd aan depressies. Ook is de kans groter dat men stemmen heeft die commentaar of bevelen geven, of met elkaar een gesprek voeren. De interne stemmenhoorder hebben meer ziekte-inzicht en zien hun stemmen vaker als eigen, ook zijn ze ouder als ze voor het eerst een diagnose krijgen. Dit zijn best interessante bevindingen die echter weer door ander onderzoek zijn tegengesproken.

Een Zwitserse onderzoeksgroep heeft zich daarom nogmaals aan de vraag gewaagd of het voor de dagelijkse praktijk uitmaakt of stemmenhoorders hun stemmen als intern of extern waarnemen. Ze includeerden 66 stemmenhoorders uit een ambulante stemmengroep (bijna 70% was gediagnosticeerd met schizofrenie). Door middel van een stemmen-interview (Maastricht Voices Interview for Adults, MAVIA) werden verschillende kenmerken en lokalisatie van de stemmen onderscheiden. Op basis hiervan zijn drie groepen stemmenhoorders onderscheiden: (1) intern, (2) extern, en (3) gemengd (zowel intern als extern). De drie groepen werden vergeleken op socio-demografische variabelen en op klinische psychiatrische kenmerken.

Uit de resultaten blijkt dat interne stemmen net iets vaker voorkomen (45,5%) dan externe stemmen (37,8%); en 16,7% heeft interne en externe stemmen. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met eerder onderzoek (McCarthy-Jones et al, 2012). Er is ook een aantal significante verschillen gevonden. Opmerkelijk was bijvoorbeeld dat patiënten met interne stemmen vaker beschermd of bij hun ouders woonden. In de groep die gediagnosticeerd was met schizofrenie (70% van de sample) waren het vaker de mannen die hun stemmen als intern waarnamen. De interne stemmenhoorders hadden minder sociale kwaliteit van leven. Mogelijk doordat deze groep ook vaker niet zelfstandig woont. Een andere bevinding was dat externe stemmenhoorders vaker last bleken te hebben van co-morbide klachten. Wat betreft de invloed van de stemmen, het zelfvertrouwen, kwaliteit van leven en algemeen functioneren waren er geen verschillen te vinden.

De onderzoekers concluderen dat het voor de klinische praktijk niet van belang is of de stemmen als intern of extern ervaren worden. Het gaat veel meer om de inhoud en de betekenis die de patiënt toekent aan zijn stemmen, die we dan weer samen met de patiënt kunnen uitpluizen!

Zanello, A., Badan Bâ, M., & Sentissi, O. (2018). Are there clinical differences between inner, outer or dual spatial locations of auditory verbal hallucinations? Psychiatry Research, 264:124-130. Artikel

McCarthy-Jones, S., Trauer, T., Mackkinnon, A., Sims, E., Thomas, N., & Copolov, D. (2012). New Phenomenological Survey of Auditory Hallucinations: Evidence for Subtypes and Implications for Theory and Practice. Schizophrenia Bulletin 40 (1), 231-235.