Nieuwsbrief 10

15 oktober 2005

 

 

 

Redactioneel

Nog geen abonnement op deze nieuwsbrief? Meld je aan bij www.gedachtenuitpluizen.nl Registreren is gratis. Als u de nieuwsbrief als documentfile ontvangt kunt u de links volgen door de Ctrl toets ingedrukt te houden en de link aan te klikken.

 

Stuur deze nieuwsbrief door naar mogelijk geïnteresseerde anderen (Forward)

Bedankt.

 

 

Cognitieve gedragstherapie voor prodromale symptomen en mensen met een hoog-risico voor psychose

Nu er evidentie is dat cognitieve gedragstherapie de overgang naar een psychose kan verminderen, is het de vraag hoe je een dienst moet organiseren. Voorafgaand aan een effectiviteitstudie is in Londen gekeken hoe verwijzingen tot stand kunnen komen en welk deel dan van de voorziening gebruik kan maken (Broome et al., 2005). Het betrof de wijk Lambeth waar over het algemeen een ondergebruik van hulpverlening is. De verwijzingen werden door een psychiater en een psycholoog onderzocht op de aanwezigheid van ARMS (at risk mental state), waarbij co-morbide stoornissen uitgesloten werden.

Over een periode van 30 maanden was er sprake van 180 verwijzingen, waarvan er 157 in het bedoelde gebied leefden. 19 weigerden het interview zodat 138 assessments uitgevoerd zijn. Van de onderzochte patiënten voldeed 42% aan de criteria voor ARMS. De meeste mensen die niet voldeden waren op dat moment psychotisch (33), hadden eerder een psychose gehad (12), hadden een angststoornis (5), waren depressief (13) of anderszins (35). Veruit de meest ARMS mensen hadden milde (attenuated) symptomen. Een psychose korter dan een week (BLIP) kwam slechts 7 keer voor en een schizoïde persoonlijkheid met schizofrenie in de familie slechts 1 maal. De mensen met ARMS werden op verschillende wijzen behandeld met SSRI’s, antipsychotische medicijnen, cognitieve gedragstherapie of supportieve counseling. De deelnemers waren goed betrokken bij hun behandeling en stigma is niet aan de orde geweest. De uitkomsten van de behandeling zullen waarschijnlijk op een ander moment gerapporteerd worden. De belangrijkste conclusie van deze studie is dat het mogelijk is mensen te  verwijzen met een ARMs en ze in behandeling te interesseren.

 

Jumping to conclusions: state of trait?

Jumping to conclusions wordt gevonden bij wanende en bij niet-wanende schizofrenie patiënten (Moritz & Woodward, 2005). Bij de wanende patiënten is JTC sterker. De neiging tot overreageren bij strijdige informatie is uitsluitend een kenmerk van wanende schizofrenie patiënten.

 

Redeneren, emoties en waanovertuiging

Bij 100 patiënten in Londen is cross-sectioneel het verband onderzocht tussen redeneertendenzen, emoties en de uiteindelijke waanovertuiging (Garety et al., 2005). De bevindingen zijn dat angst en niet depressie bijdragen aan de waanovertuiging. De metacognitie dat de eigen conclusies juist zijn en niet op een vergissing kunnen berusten (belief flexibility) heeft eveneens invloed op de waanovertuiging. Deze metacognitie wordt versterkt door een tweetal redeneertendenzen: Jumping to conclusions en Dichotoom denken. Dit betekent voor de cognitieve gedragstherapie dat er aandacht besteed moet worden aan nieuwe stijlen van denken voor de patiënt. De patiënt moet leren reflecteren en alternatieven overwegen en dit kan bevorderd worden door de redeneertendenzen te demonstreren en gaandeweg te wijzigen. Dus verminderen van zwart-wit denken en meer informatie verzamelen voordat de conclusie getrokken wordt.

 

Beïnvloeden van redeneerstijl

Meteen hebben de Londenaren de daad bij het woord gevoegd. Bij 30 normale proefpersonen is de redeneerstijl onderzocht (Freeman, Garety, McGuire, & Kuipers, 2005).

Zij vulden (1) lijsten in om depressie, angst en wanen te meten; (2) vulden een maat in om confirmatief redeneren te meten voor en na een instructie tot disconfirmatief redeneren en (3) zij maakten een belief evaluatie taak. Vergeleken met individuen met een confirmatieve redeneerstijl, waren individuen met een disconfirmatieve redeneerstijl minder gehaast bij het verzamelen van informatie, onderzochten een groter aantal hypothesen, waren intelligenter en waren minder depressief. Omgekeerd hadden mensen met een confirmatieve redeneerstijl hogere niveaus van depressie en waren zij gepreoccupeerd met waanachtige ideeën. De mensen die erin slaagden een disconfirmatieve redeneerstijl aan te nemen gingen behoedzamer beslissingen nemen en zakten tot lagere niveaus van preoccupatie en onbehagen door waanachtige ideeën. Individuen met een disconfirmatieve regeerstijl rapporteerden meer evidentie zowel voor als tegen hun overtuigingen in de belief evaluatie taak.

 

Welke zorg werkt?

Het kenniscentrum schizofrenie, het post academisch onderwijs en de schizofrenie stichting Nederland organiseren een groot congres op 24 november van dit jaar. Het heeft een zeer breed programma en zal de agenda voor de komende jaren neerzetten. Eindelijk weer eens een groot en betaalbaar congres in Nederland. Meld je snel aan, want het wordt al aardig vol. Klik hier of op het plaatje voor meer informatie.

 

Referenties

Broome, M. R., Woolley, J. B., Johns, L. C., Valmaggia, L. R., Tabraham, P., Gafoor, R., et al. (2005). Outreach and support in south London (OASIS): implementation of a clinical service for prodromal psychosis and the at risk mental state. Eur Psychiatry, 20(5-6), 372-378.

Freeman, D., Garety, P. A., McGuire, P., & Kuipers, E. (2005). Developing a theoretical understanding of therapy techniques: an illustrative analogue study. Br J Clin Psychol, 44(Pt 2), 241-254.

Garety, P. A., Freeman, D., Jolley, S., Dunn, G., Bebbington, P. E., Fowler, D. G., et al. (2005). Reasoning, emotions, and delusional conviction in psychosis. J Abnorm Psychol, 114(3), 373-384.

Moritz, S., & Woodward, T. S. (2005). Jumping to conclusions in delusional and non-delusional schizophrenic patients. Br J Clin Psychol, 44(Pt 2), 193-207.