Nieuwsbrief 11
1 november 2005
Redactioneel
Nog geen abonnement op deze nieuwsbrief? Meld je aan bij www.gedachtenuitpluizen.nl
Registreren is gratis. Als u de nieuwsbrief als documentfile ontvangt kunt u de links volgen door de Ctrl toets ingedrukt te houden en de
link aan te klikken.
Welke zorg werkt?
Het
kenniscentrum schizofrenie, het post academisch onderwijs en de
Het begin van de psychose: deel 2 (zie ook Nieuwsbrief 9 van 1 oktober
2005)
De perinatale
omstandigheden vergroten de kans op schizofrenie. Ondervoeding van de moeder
tijdens de hongerwinter, de nabijheid van de zwangere moeder tot de atoombom op
Hirosjima, het vernemen van de dood van de partner tijdens de zwangerschap vergroten allemaal de Odds Ratio een beetje op het krijgen
van nageslacht met een schizofrenie. Het hebben van virusinfecties tijdens de
zwangerschap toont soms wel, maar over het geheel geen verband met een kind met
schizofrenie.
Mensen met
schizofrenie werden vaker aangetroffen in de grote steden onder arme condities.
Allereerst dacht men dat er sprake was van ‘social drift’: zieke mensen zonder werk en
partner kwamen vanzelf in de armen wijken van de grote steden te wonen. Ook zou
er in de grote stad meer tolerantie voor afwijkend gedrag bestaan. De laatste
tijd wordt steeds duidelijker dat er ook omgevingsinvloeden van uitgaan. In de
grote steden komt schizofrenie tweemaal vaker voor dan op het platteland.
Wicks en
anderen hebben een bevolkingsonderzoek gedaan bij alle kinderen die in Zweden geboren
zijn tussen 1963 en 1983 (Wicks, Hjern, Gunnell, Lewis, & Dalman, 2005).
Dit zijn 2.100.000 mensen. Hazard ratio’s zijn berekend voor
vijf verschillende indicatoren van de sociaal-economische positie van de
personen: wonen in een huurhuis; lage sociaal-economische status; één ouder
gezin; werkeloosheid; ontvanger van een uitkering. Er is gekeken in
hoeverre deze indicatoren een ziekenhuisopname voor schizofrenie of een andere
psychose konden voorspellen in de periode 1987 tot 2002.
Voor alle
indicatoren werd gevonden dat zij een grotere kans op schizofrenie voorspelden
in de bovenstaande volgorde. Mensen met vier van de vijf kenmerken hadden een
2.7 keer hoger risico op schizofrenie.
Naast de
genetische kwetsbaarheid voor psychotische reacties is er een omgevingsfactor
noodzakelijk, maar ook een bepaalde psychologische reactie. Hanssen en anderen
uit Maastricht vinden dat het hebben van een psychotisch kenmerk ongeveer 100
maal vaker voorkomt in de bevolking dan het hebben van een schizofrenie. Bij de
meeste mensen is zo’n psychotische ervaring van
voorbijgaande aard. Zo’n 8 % heeft na twee jaar nog
steeds subklinische symptomen en een net zo’n groot deel van 8% heeft na 2 jaar
een klinisch beeld ontwikkeld (Hanssen, Bak, Bijl, Vollebergh, & van Os,
2005). Bij het onderzoeken wat de kenmerken zijn van hen die een stoornis
ontwikkelen blijkt dat deze laatste groep een sterke
emotionele reacties heeft op de secundaire appraisal van de psychotische
symptomen. De bevestiging van het idee dat de psychotische symptomen op
zichzelf niet leiden tot lijdensdruk, maar dat de betekenisgeving ervan in
termen van macht en kwaadwillendheid van doorslaggevend belang zijn bij de
schizofrene psychose.
In
hetzelfde nummer van het British Journal of Clinical Psychology staan nog twee
artikelen die gaan over dit catastrofale appraisal proces. Krabbendam en
anderen uit Maastricht vonden dat gegeven het feit dat iemand in de bevolking
een stem heeft gehoord, de groep die na 1 jaar depressief was een groter risico
heeft om na 3 jaar een schizofrene psychose te hebben ontwikkeld (Krabbendam et
al., 2005). Eenzelfde bevinding komt uit Londen maar
dan bij visuele hallucinaties (Gauntlett-Gilbert & Kuipers, 2005). Bij 20 psychiatrisch patiënten met visuele hallucinaties is gekeken
naar de mate van lijdensdruk. Hallucinaties die opgevat werden als een gave en het gevolg van een
uitverkoren status werden als positief gewaardeerd. Imperatieve hallucinaties
en hallucinaties die werden opgevat als veroorzaakt door kwaadwillende
vervolgers leidden wel tot lijdensdruk. Opvallend is dat net als bij het horen
van stemmen de inhoud van de hallucinaties er niet veel toe doet (van der Gaag,
Hageman, & Birchwood, 2003). De appraisals staan tamelijk los van de inhoud
en lijken meer verbonden met de persoonlijke historie.
Stuur deze nieuwsbrief door naar
mogelijk geïnteresseerde anderen (Forward)
Bedankt.
Referenties
Gauntlett-Gilbert,
J., & Kuipers, E. (2005). Visual hallucinations in psychiatric
conditions: appraisals and their relationship to distress. Br J Clin Psychol, 44(Pt 1), 77-87.
Hanssen, M., Bak, M., Bijl, R.,
Vollebergh, W., & van Os, J. (2005). The incidence and outcome of subclinical psychotic
experiences in the general population. Br J Clin Psychol, 44(Pt 2), 181-191.
Krabbendam, L., Myin-Germeys, I.,
Hanssen, M., de Graaf, R., Vollebergh, W., Bak, M., et al. (2005). Development of depressed
mood predicts onset of psychotic disorder in individuals who report
hallucinatory experiences. Br J Clin Psychol, 44(Pt 1), 113-125.
van der Gaag, M., Hageman, M. C., &
Birchwood, M. (2003). Evidence for
a cognitive model of auditory hallucinations. J Nerv Ment Dis, 191(8), 542-545.
Wicks, S., Hjern, A., Gunnell, D., Lewis, G., &
Dalman, C. (2005). Social Adversity in Childhood and
the Risk of Developing Psychosis: A National Cohort Study. Am J Psychiatry, 162(9), 1652-1657.