
Nieuwsbrief
20
1 april 2006
COGNITIEVE MECHANISMEN
Redactioneel
Nog geen abonnement op deze
nieuwsbrief? Meld je aan bij www.gedachtenuitpluizen.nl
Het registreren is kosteloos. Als u de nieuwsbrief als documentfile ontvangt
kunt u de links volgen door de Ctrl toets ingedrukt te houden en de link aan te
klikken. Stuur deze nieuwsbrief (Forward) door naar mogelijk geïnteresseerde
anderen.
Selectieve aandacht bij depressie bij
mensen met schizofrenie
Ongeveer 40%
van de schizofrenie patiënten heeft tevens een depressie, maar de cognitieve
mechanismen die daar bij betrokken zijn, zijn nog onduidelijk. Recente studies
bij depressie hebben aangetoond dat depressie gekenmerkt wordt doordat zij
falende inhibitie kennen bij woorden met een negatieve gevoelswaarde. Zij
reageren dus snel en vaak op negatieve informatie. Dit is nu ook onderzocht bij
depressie bij schizofrenie (Waters et al., 2006a). Daarnaast is onderzocht in
hoeverre interferentie die inhibitoire proces beïnvloedt en hoe goed de
patiënten kunnen switchen tussen twee verschillende taken.
De
Affective Switching Task
is afgenomen. Deze taak kan verschillende inhibitie processen meten: (a)
selectieve aandacht en het geconcentreerd blijven tijdens afleidende stimuli;
(b) task-shifting is het kunnen shiften van reageren op negatieve of dan weer
op positieve stimuli; en (c) Inhibitie van emotie is een maat van het verschil
in reactietijden op positieve en negatieve stimuli. De taak bestaat 180
woorden, waarvan er 90 positief en 90 negatief zijn. De woorden worden
gedurende 300 milliseconden op een computermonitor getoond. Na 900
milliseconden verschijnt de volgende stimulus. Een blok bestaat uit 18 stimuli.
In het eerste deel van de test werd de proefpersoon gevraagd om elke twee
blokken te shiften van reacties op negatieve naar positieve en omgekeerd. Bij
een ander deel van de taak moet de proefpersoon almaar op dezelfde stimulus
reageren, terwijl er afleiden stimuli gepresenteerd worden.
De
resultaten zijn dat mensen met schizofrenie over het algemeen depressiever zijn
dan normale proefpersonen. De groep mensen met schizofrenie toonde geen
aandachtsbias voor negatief materiaal vergeleken met de normale prefpersonen. De schizofrenie patiënten met een depressie
toonden wel deze aandachtsbias voor nagtieve stimuli.
In dit opzicht zijn zij vergelijkbaar met depressieve patiënten en het
cognitieve model van Beck gaat ook voor hen op. Toch
zijn er ook verschillen. Depressieve patiënten hebben moeite met task-shifting
en tonen geen interferentie effecten. Bij depressieve schizofrnie
patiënt is dit andersom. Als we dit naar het klinisch
beeld proberen te vertalen, dan kenmerken depressieve patiënten zich door
aandacht voor negatieve stimuli, weinig afleidbaar en hebben moeite zich van de
ene naar de volgende taak om te schakelen. Depressieve schizofrenie patiënten
hebben eveneens de selectieve aandacht voor negatieve stimuli, zijn meer
afleidbaar, maar kunnen ook makkelijker omschakelen naar een andere taak.
Wie en wanneer zelfmonitoring bij stemmenhoorders
In een letter to the editor door dezelfde onderzoeksgroep, wordt een interessant
onderzoek beschreven over de zelfmonitoring bij mensen met schizofrenie die stemmen
horen (Waters et al., 2006b). De proefpersonen bestond uit een groep
schizofrenie patiënten met stemmen en een zonder stemmen en een groep normale controles.
Alle proefpersonen deden een context geheugentaak. In deze taak kijkt de proefpersoon
naar het maken van paren van 24 alledaagse voorwerpen of de proefpersoon zelf moest
deze paren vormen. De beide sessies kenden een pauze van 30 minuten. In een herkenningstaak
die later volgde werden paren aangeboden. De proefpersoon moest beslissen of dit
een origineel paar was uit de vorige sessies; wie dit paar gevormd had (experimentator
of proefpersoon zelf); welke sessie dit paar gevormd was (sessie 1 of sessie 2).
De accuratesse
van het herkennen werd beter gedaan door de normale controle en de beide schizofrenie
groepen verschilden niet van elkaar. Dit bleek net zo te zijn bij de temporele vraag
of het uit sessie 1 of uit sessie 2 kwam.
Bij de zelfmonitoring
deden hallucinerende schizofrenie patiënten het slechter dan normalen en niet-hallucinerende
schizofrenie patiënten.
De verminderde
zelfmonitoring was gecorreleerd aan de ernst van de hallucinaties en aan de ernst
van de conceptuele desorganisatie van de PANSS. De auteurs
veronderstellen dat de verstoorde zelfmonitoring zowel de hallucinaties als de verwardheid
zou kunnen bepalen
Cursus en workshop agenda
De cursus Gedachten Uitpluizen aangeboden via het
Kenniscentrum Schizofrenie is overtekend. In oktober 2006 zal een nieuwe cursus
aangeboden worden.
Op 9 juni
organiseert dezelfde sectie een beginnerworkshop cognitieve gedragstherapie bij
psychose door
De workshop wordt gegeven in het verenigingsgebouw van de
VGCt, Maliebaan 50b te Utrecht. Intekenen voor de workshop kan op de website
van de VGCt op http://www.vgct.nl/site307/index.jsp?USMID=159&MID=906
Referenties:
Waters,
F.A., Badcock, J.C., Maybery, M.T., 2006a. Selective
attention for negative information and depression in schizophrenia.
Psychol Med, 36, (4) 455-464.
Waters,
F.A., Badcock, J.C., Maybery, M.T., 2006b. The 'who' and 'when' of context
memory: Different patterns of association with auditory hallucinations. Schizophr Res, 82,
(2-3) 271-273.