
Nieuwsbrief
26
18 augustus 2006
Meer cognitieve biases
De vorige
nieuwsbrief ging over cognitieve deficieten. Dat zijn problemen in de
informatieverwerking die veroorzaakt worden door stoornissen in het brein. De
hardware functioneert niet optimaal. Deze nieuwsbrief gaat over cognitieve
biases. Dat zijn verkeerde afstellingen van cognitieve thermostaten. Niet de
hardware vertoont gebreken maar de software heeft tendensen in bepaalde
richtingen. Voorbeelden daarvan zijn het snel springen naar conclusies,
selectieve aandacht voor gevaar, het vermijden van allerlei situaties die
potentieel onaangenaam zijn, enzovoorts.
Wanen en snelle besluiten nemen
We weten
dat wanende patiënten aan jumping to
conclusions doen. Dat betekent dat
zij bij taken waarbij een besluit altijd een kans heeft om foutief te zijn,
normale mensen meer informatie inwinnen voor zij een besluit nemen. Wanende
patiënten daarentegen zijn geneigd om snel te besluiten en zich bovendien
uitermate zelfverzekerd te weten over de correctheid van dat besluit. Sommige
auteurs hebben gesuggereerd dat dit te maken kan hebben met het feit dat de
patiënten niet goed tegen onzekerheid kunnen. Dit is te meten met de Need for Closure schaal. Deze meet de psychologische behoefte voor
eenvoudige antwoorden en snelle besluitvorming.
Bij 187
patiënten is deze lijst afgenomen1. De NFC bleek echter geen verband
te hebben met wanen. De patiënten rapporteerden wel eenvoudige antwoorden te
verkiezen, maar vinden zichzelf trage beslissers. De lijst wordt afgeraden voor
schizofrenieonderzoekers.
Redeneren onder onzekerheid bij achtervolgingswanen
en depressie
In het dagelijkse
leven maken we veel beslissingen over sociale situaties. We gebruiken daarbij
vuistregels en herinneringen om een best-guess
interpretatie van de gebeurtenissen te maken.
De beschikbaarheidheuristiek wordt gebruikt
om een schatting te maken van de waarschijnlijkheid van optreden van een
bepaalde gebeurtenis. Schattingen worden verkregen op basis van het gemak
waarmee dergelijke gebeurtenissen worden herinnerd.
De verankeringheuristiek wordt gebruikt om
de interpretatie van de situatie te koppelen aan de herinnering van een
vergelijkbare voorgaande. Het gedrag van anderen wordt voorspeld aan hoe de
persoon zelf in de situatie zou reageren.
De representativiteitheuristiek wordt
gebruikt om te bepalen of een bepaalde persoon past in een bepaalde categorie
personen.
62 mensen
met schizofrenie zijn onderzocht2.
De uitkomsten waren dat zowel paranoïde als depressieve patiënten
dachten dat zij in de toekomst minder positieve gebeurtenissen zouden meemaken
dan op grond van het aantal positieve ervaringen uit het verleden verwacht kan
worden. Het zijn dus pessimisten geworden. Door de aandoening.
De beide
groepen verschillen in de mate waarin andere mensen mogelijk bedreigend zijn.
De paranoïde patiënt plaats veel meer mensen in deze categorie dan de
depressieve patiënt.
Bijgeloof
José
Garcia-Montes en haar Spaanse collega’s hebben verschillende groepen
onderzocht: hallucinanten, nooit hallucinerende schizofrenie patiënten,
herstelde hallucinanten, obsessief-compulsieve patiënten, een klinische controlegroep
en een niet-klinische controle groep3. Zij gebruikten de Metacognities vragenlijst van 65 items en de
launy-Slade hallucinatie schaal.
De
bevindingen waren dat zowel de hallucinerende patiënten als de
obsessief-compulsieve patiënten zich kenmerkten door verhoogde scores op de
oncontroleerbaarheid en gevaar van de eigen gedachten en de behoefte deze
gedachten te controleren vanuit een sterk verantwoordelijkheidsbesef voor de
gevolgen van het hebben van dergelijke gedachten voor de externe wereld. Beide
groepen lijken dus besmet door thought
action fusion. Dit is de bias dat er een causale relatie is tussen je
gedachten en wat er in de buitenwereld gebeurd.
Bronmonitoring, geheugen en
internalisatie
Het
begrijpen van de binnen/buiten verwisselingen is essentieel voor het begrijpen
van psychose. Woodward en collega’s uit Canada demonstreren een statistische
techniek waarbij het mogelijk wordt om verschillende processen die hierbij
betrokken zijn, van elkaar te scheiden4. Met behulp van multinominaal
modelleren. De gegevens van het onderzoek van Keefe en anderen5 zijn opnieuw geanalyseerd. In die
studie waren vier verschillende bronnen mogelijk: zelfgegenereerd, plaatje,
gehoord, of nieuw. Verschillende processen spelen een rol: Herkennen van de
stimulus, brondiscriminatie, externalisatie bij niet-herkend maar wel
gediscrimineerd, toeschrijven aan zelf of verwarren van plaatje of gehoord.
De
resultaten van de ingewikkelde statistische procedures laten zien dat de groep
personen met eerste orde symptomen van
Schneider (psychotische symptomen) gekenmerkt wordt door een verstoorde
herkenning van zelfgegenereerde items, en een stoornis in brondiscriminatie van
plaatsjes en gehoorde stimuli. De bronmonitoring stoornis ging gepaard met de
tendens te internaliseren. Dit komt overeen met betrekkingsideeën en het
zelfgerichte karakter van wanen.
Congres agenda
Het tweede
nationale schizofrenie congres van het kenniscentrum Schizofrenie Nederland is
gepland op donderdag 23 november 2006 te Zwolle. Klik hier
of op de afbeelding hierboven voor meer informatie (CTRL + klik vanuit een Wordbestand).
Redactioneel
Nog geen abonnement op deze
nieuwsbrief? Meld je aan bij www.gedachtenuitpluizen.nl
Het registreren is kosteloos. Als u de nieuwsbrief als documentfile ontvangt
kunt u de links volgen door de Ctrl toets ingedrukt te houden en de link aan te
klikken. Stuur deze nieuwsbrief (Forward) door naar mogelijk geïnteresseerde
anderen.
Referenties:
1. Freeman D, Garety P, Kuipers E,
Colbert S, Jolley S, Fowler D, Dunn G, Bebbington P. Delusions and
decision-making style: use of the Need for Closure Scale. Behav Res Ther Aug 2006;44(8):1147-1158.
2. Corcoran R, Cummins S, Rowse G, Moore R, Blackwood N,
Howard R, Kinderman P, Bentall RP. Reasoning
under uncertainty: heuristic judgments in patients with persecutory delusions
or depression. Psychol Med Aug
2006;36(8):1109-1118.
3. Garcia-Montes
JM, Perez-Alvarez M, Soto Balbuena C, Perona Garcelan S, Cangas AJ. Metacognitions in patients with hallucinations and obsessive-compulsive
disorder: the superstition factor. Behav
Res Ther Aug 2006;44(8):1091-1104.
4. Woodward TS, Menon M, Hu X, Keefe RS. Optimization
of a multinomial model for investigating hallucinations and delusions with
source monitoring. Schizophr Res Jul
2006;85(1-3):106-112.
5. Keefe RS, Arnold MC, Bayen UJ, McEvoy JP, Wilson WH.
Source-monitoring deficits for self-generated stimuli in schizophrenia:
multinomial modelling of data from three sources. Schizophr Res Sep 1 2002;57(1):51-67.