+connect – een app om eenzaamheid onder jongeren met psychose te verminderen

Gedachten Uitpluizen

Eenzaamheid onder jongeren met psychotische klachten is een belangrijk probleem. We proberen van alles om hun sociaal functioneren te verbeteren en hun sociale angst te verminderen. Toch blijft het een hardnekkig en veel gehoord probleem. Michelle Lim en haar collega’s hebben -samen met een groep jongeren met psychische problemen- een app ontwikkeld. Vanuit de positieve psychologie, voor jongeren en gericht op het verminderen van eenzaamheid. Is dat wat?

Binnen deze app volg je een programma van zes weken waarin jongeren leren om hun sterke kanten te herkennen en verder te versterken en om positieve sociale vaardigheden aan te leren en te oefenen. Thema’s die aan de orde komen zijn Gratitude, Sharing Positive News, Social Fears en Three Good Things. Binnen ieder thema wordt gebruik gemaakt van geschreven tekst en korte video’s waarin een professional toelichting geeft op het thema, een jongere iets deelt over zijn of haar eigen ervaring of waarin een jongere oefent met een van de vaardigheden die aan de orde komt.

Twaalf jongeren met een psychotische stoornis deden mee aan een studie naar de bruikbaarheid en effectiviteit van deze app. Twee van hen vielen uit. De deelnemers werden voorafgaand aan het gebruik van de app, direct na afloop van het zes weken durende programma en nog eens drie maanden later geïnterviewd.

Uit deze interviews blijkt dat jongeren de app leuk, nuttig en bruikbaar vinden. Er zijn veel suggesties uit de evaluaties gekomen en dan met name op het aantrekkelijker maken van de video’s waarin een professional toelichting geeft op een bepaald thema.
De eerste resultaten op het gebied van het verminderen van eenzaamheid zijn positief. Het lijkt erop dat de eenzaamheidscores iets af zijn genomen en dat de stemming van de deelnemers iets is verbeterd. Op basis van zo’n kleine groep kunnen er echter geen sterke conclusies worden getrokken. De auteurs hebben beloofd verder aan de slag te gaan met de ‘gamification’ van de app en het uittesten van de app in een grotere groep jongeren. Houd hen in de gaten!

Lim, M.H., Gleeson, J.F.M., Rodebaugh, T.L., Eres, R. Long, K.M., Casey, K., Abbott, J-A.M., Thomas, N. & Penn, D.L. (2018). A pilot digital intervention targeting loneliness in young people with psychosis. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, Artikel

Plezier en motivatie verbeteren? Pep je op met PEPS!

Gedachten Uitpluizen

Al eerder schreven we over de resultaten van een veelbelovende pilot met PEPS, het Positive Emotions Programme for Schizophrenia, speciaal ontwikkeld voor mensen met schizofrenie die last hebben van apathie (nergens geen zin meer in hebben) en anhedonie (nergens meer van kunnen genieten). Dezelfde Zwitserse onderzoekers hebben nu ook een gecontroleerde studie naar PEPS gedaan. Benieuwd naar het programma en de resultaten?

Negatieve symptomen worden gekenmerkt door opvallende verminderingen in doelgericht gedrag die het dagelijkse functioneren ernstig kunnen hinderen en herstel in de weg staan. Bestaande protocollen zoals CGT voor demoralisatie en negatieve symptomen (CGT-n) kunnen effectief zijn, maar zijn nog altijd weinig getest. PEPS is een alternatief en veelbelovend programma, specifiek gericht op het maximaliseren van positieve emoties (plezier en motivatie) door middel van het verbeteren van emotie regulatie strategieën. Deze strategieën zijn gericht op (1) het anticiperen of herinneren van plezier, (2) het uitdrukken van emoties via non-verbaal gedrag, (3) het richten van de aandacht op positieve belevingen wanneer die plaatsvinden, en (4) het delen van die belevingen met anderen.

Aansluitend op de pilot, waarover we in Nieuwsbrief 132 (mei 2016) schreven, is er nu een gecontroleerde studie gedaan waar 80 ambulante patiënten met een schizofreniespectrum stoornis aan deelnamen. Zij werden verdeeld in twee groepen van 40, waarbij de ene groep alleen standaardzorg kreeg, en de andere groep standaardzorg gecombineerd met 8 groepssessies (5-10 deelnemers) van 1 uur PEPS.

Als primaire uitkomstmaat werden de samengestelde scores van de apathie/avolitie en de anhedonie/asocialiteit schalen van de SANS (Scale for the Assessment of Negative Symptoms) gehanteerd. Voor de secundaire uitkomst keek men naar de scores op vragenlijsten voor depressie, het anticiperen op en beleven van plezier, overtuigingen over genieten, en sociale anhedonie. Ook positieve symptomen (hallucinaties en overmatige achterdocht) en pyramidale bijwerkingen werden in kaart gebracht. Er werd gemeten op 3 momenten: vooraf aan de randomisatie, na 8 weken, en bij een follow-up na zes maanden.

Het PEPS-programma gaat uit van een benadering van samenwerking en gelijkwaardigheid. De begeleiders doen gewoon mee met de opdrachten en met het delen van ervaringen in de groep. Het leerproces doorloopt vier fasen: (1) het hebben van een beleving (concrete beleving fase), (2) het beschrijven van en betekenisgeven aan de beleving (reflectieve observatie fase), (3) het afstand nemen van de beleving (abstracte conceptualisatie fase), en (4) het experimenteren met de beleving in de realiteit (actieve experimenteer fase).

In totaal vielen slechts 7 personen (8,75%) uit het onderzoek. Gemiddeld volgden 90% van de deelnemers in de PEPS-groep het programma. De apathie en anhedonie samengestelde scores waren meer verminderd in de PEPS-groep, zowel na 8 weken als bij de follow-up, zes maanden later (met een gemiddeld tot groot effect). Kijken we naar de individuele elementen van de samengestelde scores, dan was het vooral de anhedonie score die na 8 weken was verbeterd (gemiddeld effect), maar niet de apathie score. Bij de follow-up was de anhedonie score verbeterd met een gemiddeld tot groot effect, en ook de apathie score verbeterde met een klein tot gemiddeld effect. Ook op de secundaire uitkomsten waren de scores voor de PEPS-groep verbeterd vergeleken met de andere groep.

Acht sessies PEPS blijken dus effectief voor het verbeteren van plezier en motivatie en het verminderen van anhedonie. Het behandelprotocol is vrij beschikbaar, zij het nog uitsluitend in de Franse taal (www.seretablir.net/peps/). Een Nederlandse vertaling is zeer welkom zodat we ook hier ervaring op kunnen doen met dit mooie behandelprotocol.

Favrod, J., Nguyen, A., Chaix, J., Pellet, J., Frobert, L., Fankhauser, C., …Bonsack, C. (2019). Improving pleasure and motivation in schizophrenia: A randomized controlled clinical trial. Psychotherapy and Psychosomatics, 88(2), 84-95.
Artikel

[N.B. Bijgeleverde plaatjes zijn afkomstig van de Franse PEPS website]

Beschermende factoren bij het ontstaan van psychotische ervaringen

Gedachten Uitpluizen

Psychotische ervaringen (PE) komen geregeld voor onder de algemene bevolking. Als de PE langdurig aanwezig zijn kunnen ze ontwikkelen tot een psychotische stoornis. Met dank aan eerder onderzoek kennen we verschillende risicofactoren voor het krijgen van PE. Maar welke factoren beschermen er eigenlijk tegen?

Een van de belangrijkste omgevingsrisicofactoren voor PE is vroege traumatische ervaringen. Bij kinderen die dit hebben meegemaakt zijn het cognitief vermogen, familiekenmerken of sociale kenmerken beschermende factoren voor het krijgen van psychotische klachten. Veel onderzoek naar beschermende factoren is echter niet gedaan.

Positieve eigenschappen zoals veerkracht en sociaal-emotionele vaardigheden zouden wel eens een beschermende factor kunnen bieden tussen traumatische ervaringen en het krijgen van PE. Biedt het inderdaad een beschermend effect, en hangen deze positieve eigenschappen samen met het minder ontstaan of korter aanwezig zijn van PE?

De deelnemers aan dit onderzoek waren 2511 zes- tot twaalfjarigen uit een Braziliaanse algemene populatiestudie. Verschillende vragenlijsten werden afgenomen bij baseline en na drie jaar, waaronder een vragenlijst over de positieve eigenschappen van het kind die door de ouders werd ingevuld. Zowel ouders als kinderen vulden een vragenlijst over traumatische ervaringen in.

Zoals in andere studies ook is gevonden bleken traumatische ervaringen in de jeugd samen te hangen met PE bij follow-up. Het hebben van positieve eigenschappen had inderdaad een beschermend effect op het ontwikkelen van PE na drie jaar, ongeacht hoeveel PE er aan het begin van de studie waren en ongeacht eventuele vroege traumatische ervaringen.
Positieve eigenschappen verklaarden gedeeltelijk de relatie tussen traumatische ervaringen en PE bij follow-up. Het effect was klein, wat kan betekenen dat er ook andere beschermende factoren een rol hebben gespeeld.
Als gekeken werd naar het aanwezig blijven van PE tussen baseline en follow-up, bleken vroege traumatische ervaringen en positieve eigenschappen de relatie resp. zowel te versterken als beschermen (klein effect).

Hoewel het effect klein was, is het interessant om in de toekomst meer onderzoek te doen naar welke factoren beschermend werken tegen PE. Het versterken van beschermende factoren in kinderen en jongvolwassenen zou mogelijk kunnen betekenen dat de kans op psychose kleiner wordt.

Pan, P. M., Gadelha, A., Argolo, F. C., Hoffmann, M. S., Arcadepani, F. B., Miguel, E. C., … & Bressan, R. A. (2019). Childhood trauma and adolescent psychotic experiences in a community-based cohort: The potential role of positive attributes as a protective factor. Schizophrenia research, 205, 23-29. Artikel

ZZD Chip in brein

Gedachten Uitpluizen

“Het kan niet anders dan dat er iets een mijn hoofd geplaatst is, een chip of zo”

Chip in hoofd

 

Wat is het?

Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat er een chip in hun hoofd is geplaatst. De verklaringen die zij daarvoor geven, kunnen verschillend zijn. De één hoort stemmen van binnenuit, en denkt dat die voortkomen uit die chip. Een ander denkt dat een geheime dienst, bijvoorbeeld de AIVD, hem in de gaten wil houden, of dat met een dergelijke chip gedachten kunnen worden gelezen en dat hij gecontroleerd kan worden door die geheime dienst. Ook kun je bijvoorbeeld ingevingen hebben die je niet herkent als van jezelf en denken dat je gedachten gestuurd worden. Als je op het internet zoekt kun je groepen vinden van mensen die ervan overtuigd zijn dat zij een chip in hun hoofd hebben.
En ja, als jij ook stemmen hoort, of aanwijzingen hebt dat je in de gaten wordt gehouden, of vreemde ingevingen en hebt, zou het dan ook bij jou zo kunnen zijn dat misschien er een chip in je hoofd is geplaatst? En kan dat eigenlijk wel, een chip in je hoofd?

Wat weten we er over?

We weten dat er allerlei implantaten bestaan, onder andere implantaten voor het hart. Maar ook zijn er inderdaad al mogelijkheden om chips in het hoofd te plaatsen, bijvoorbeeld om mensen met een ernstige verlamming te helpen weer controle over hun spieren te krijgen. Chips in het hoofd kunnen namelijk bepaalde impulsen of stootjes afgeven, en zo kunnen hersengebieden verbonden worden met sensoren bij de spieren. Maar is dat gedachten lezen of gedachten inbrengen? Nee, dat is het niet en kan nog altijd niet. Wel kunnen we in hersenscans meten welke gebieden in het brein actief worden, bijvoorbeeld als we ergens naar luisteren, of zien of er een chip is geplaatst.
Op internet is veel te vinden, zo ook over chips in je hoofd, maar wat is waar en wat niet? Dat is best lastig om uit te zoeken. Het is altijd goed om te kijken of mensen die daarover iets beweren ook wetenschappelijk onderzoek aanhalen en of men openstaat voor andere verklaringen. Vaak zijn mensen vooral op zoek zijn naar een bevestiging van hun ideeën en angsten. Het is dan natuurlijk heel fijn om op sites te lezen dat je niet de enige bent die bepaalde dingen ervaart, maar soms zet het je ook op een dwaalspoor. Want vaak zijn de dingen die mensen op zo’n site tegen elkaar zeggen toch een stuk minder hard te bewijzen dan zij beweren. Er wordt vaak veel te weinig gezocht naar andere verklaringen.
Wat vooral belangrijk is om te weten is dat je niet de enige bent met de overtuiging dat er een chip in je hoofd geplaatst is.

Wat kun je eraan doen?

Soms bieden artsen aan om een hersenscan te laten maken, om te laten zien dat er op die scan geen chip te zien is. Soms helpt dat en stelt je dat gerust. Dan is er kennelijk een andere verklaring voor je bijzondere ervaringen. Maar soms ben je door die scan nog steeds niet overtuigd, want je voelt toch van alles, je hoort toch zelf wat in je hoofd, dit is toch de enige verklaring voor die bijzondere ervaringen?
Wat kun je dan wel doen wanneer een ‘lege’ hersenscans je niet of onvoldoende overtuigt? Het kan zinvol zijn om dan nog meer en ook op andere manieren op onderzoek te gaan. Niet alleen om te onderzoeken of er alternatieve verklaringen zijn, maar ook om te leren hoe je er het beste mee om kunt gaan, met wat je hoort en ervaart?
Het kan helpen om dan eens met een psycholoog in gesprek te gaan, die thuis is in Gedachten Uitpluizen, om samen een en ander eens grondig uit te zoeken. Samen kunnen jullie jouw gedachten en ideeën over de chip bespreken en wat het voor je leven betekent, en misschien komen er ook andere, behulpzame ideeën uit voort. De ervaring is dat dit gezamenlijke onderzoek soms tot nieuwe ingangen kan leiden, waardoor jij weer meer controle krijgt over de situatie.

Sensoren in het brein

Er wordt veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om dingen zoals elektroden in het brein in te brengen. Hoewel de ontwikkelingen hard gaan en sommige mensen met hele specifieke aandoeningen er mee geholpen zijn, is en blijft het zeldzaam. Ook gaat er altijd heel veel onderzoek en lange gesprekken met artsen (chirurgen, neurologen etc) aan vooraf. Ook de operatie zelf voor het inbrengen is een langdurige en zware operatie die niet “stiekem” gedaan kan worden.

Lees maar eens over Deep Brain Stimulation of onderzoek naar communicatie zonder spreken.

Deep brain stimulation (DBS, diepe breinstimulatie) is een behandelmethode waarbij elektroden in de hersenen worden geplaatst die elektrische signalen afgeven. Hierdoor worden specifieke symptomen onderdrukt, waardoor klachten afnemen of worden opgeheven. Lees er meer over….

Komen we ooit op het punt dat implantaten (al dan niet in het brein) communicatie zonder te spreken mogelijk maken? Lees er meer over….

Sterker dan je Stemmen: Protocol voor kinderen en jongeren die stemmen horen

Dit protocol treft u niet aan in het Gedachten Uitpluizen boek. Het Protocol is gewoon gratis te downloaden evenals alle formulieren en informatie.

De protocollaire behandeling ‘Sterker dan je Stemmen’ is bedoeld als een leidraad voor een training op maat (personalized medicine) voor kinderen en adolescenten (hierna ‘jongeren’), die last hebben van auditieve verbale hallucinaties (AVH) – ‘stemmen horen’. Uitgangspunt van dit protocol is om de coping ten aanzien van stemmen horen te vergroten om zo de invloed van het horen van stemmen en gepaarde lijdensdruk te verminderen, waarbij mogelijk ook het stemmen horen zelf afneemt of zelfs verdwijnt. De kerngedachte is dat de jongere Sterker dan zijn Stemmen is.

Dit protocol is tot stand gekomen door de samenwerking van behandelaren en onderzoekers met ruime kennis en ervaring met (het ontwikkelen van) behandelingen bij volwassenen die stemmen horen (dr. Tonnie Staring en prof. dr. I. Sommer, oa. behandeling en kennis vanuit de stichting Gedachten Uitpluizen en de oprichting van Stemmenpoli van het UMC Utrecht) en bij jongeren die stemmen horen (dr. Kim van Slobbe-Maijer en dr. S Palmen, oa. de oprichting van de module Stemmen Horen Jeugd van het UMC Utrecht).

Uitgangspunten

Wat is het doel van dit behandelprotocol?
Sterker dan je Stemmen is een gedragstherapeutisch protocol. Het doel is om de coping ten aanzien van stemmen horen te versterken en daarmee het gevoel van controle over de stemmen te vergroten. Hierdoor wordt doorgaans de impact van stemmen horen en lijdensdruk minder. Soms neemt het stemmen horen ook af of verdwijnt helemaal.

Wat is de visie van dit protocol?
De attitude is er een van normaliseren. We gaan er vanuit dat ‘stemmen’ een product zijn van je eigen hersenen. De meeste jongeren, die last hebben van stemmen horen ervaren dit niet als iets vanuit hun eigen hersenen. Hierdoor lijken stemmen iets ‘machtigs’ en ervaren ze weinig controle. Ook ervaren ze daardoor weinig controle over het gedrag dat daaruit voortkomt, zoals luisteren naar de stemmen, opdrachten uitvoeren of terugtrekken. Kennis wat stemmen horen eigenlijk is (je hersenen die iets doen wat ze niet moeten doen) en het ervaren van controle door de Sterke Trucs in het protocol geven jongeren het gevoel van controle terug; zij zijn de baas over wat er in hun hersenen gebeurt of in ieder geval hoe ze daarmee om gaan. Dat betekent dat de inhoud van het stemmen horen weliswaar in kaart wordt gebracht, maar de therapeutische interventies zich hierna niet richten op het uitdiepen of exploreren van de betekenis van de inhoud. Het risico daarvan is namelijk dat er juist waarde en invloed wordt toegekend aan de stemmen terwijl de boodschap simpel is ‘je hersenen doen dingen die ze niet moeten doen en jij kan weer de baas worden om daar goed mee om te gaan’.

De rol van psychologische mechanismen bij positieve symptomen

Gedachten Uitpluizen

Als je het gedrag van een leeuw wil begrijpen, kun je hem gaan observeren. Maar je kunt hem ook aan zijn staart trekken en kijken wat er gebeurt. Op vergelijkbare wijze heeft men in de wetenschap onderzocht welke verklarende rol psychologische mechanismen spelen bij het optreden van overmatige achterdocht of hallucinaties. Namelijk door die mechanismen te manipuleren en te kijken wat het effect is op individuele psychotische ervaringen. Voor het eerst is er nu een overzicht van al die manipulatie studies.

Een bekende groep psychose experts uit Oxford, onder leiding van Daniel Freeman, is op zoek gegaan naar alle beschikbare literatuur over manipulatie met betrekking tot wanen en hallucinaties en psychologische processen. Naast de inhoudelijke uitkomsten, wilden de onderzoekers weten om hoeveel studies het ging, wat de kwaliteit ervan was, en welke focus er werd gelegd, in het bijzonder: (1) welke psychotische ervaringen werden er gemeten, (2) hoeveel studies richtten zich op de algemene populatie versus de klinische populatie, (3) in hoeveel studies betrof het experimenten versus interventie-effect studies, en (4) in hoeveel studies werd ook mediatie analyse meegenomen?

Er werd een omvangrijke search gedaan via Medline. Embase en PsychInfo naar Engelstalige studies waarbij alleen studies met manipulatie van een specifiek psychologisch mechanisme werden geïncludeerd, en waarbij tevens sprake was van een of meer individuele psychotische ervaringen als uitkomstmaat, en van at random toewijzing aan condities. Van de 3618 studies die met de search werden gevonden, bleken er uiteindelijk 43 te voldoen aan de inclusiecriteria.

Van die 43 waren er 18 met een klinische populatie, 28 studies waren experimenten en in 15 studies betrof het gerichte klinische interventies. In totaal ging het over 5.426 deelnemers uit de algemene bevolking (voor het grootste deel studenten) en 1.509 uit de klinische populatie. Paranoia was in 40 studies de uitkomstmaat en hallucinaties in 11 studies. De meest onderzochte psychologische mechanismen in studies met een niet-klinische populatie waren: aandacht, zelfvertrouwen, rumineren, negatief affect, en slaap. In klinische studies ging het vooral over zelfvertrouwen, piekeren en rumineren, negatief affect, slaap, cognitieve tendensen, en overtuigingen over stemmen.

Het lijkt erop dat wanneer de manipulatie van het psychologisch mechanisme succesvol plaatsvindt, er effecten zichtbaar zijn in psychotische ervaringen. Van belang is het te realiseren dat er geen enkelvoudige verklaringen bestaan voor psychotische ervaringen. Elke causale factor verhoogt slechts de kans op het optreden van een bijzondere psychotische ervaring. Voor de resultaten van elk van de 43 studies wordt verwezen naar het overzicht in het oorspronkelijke artikel.

Wanneer je uitsluitend kijkt naar het testen van de causale rol van psychologische processen bij mensen die in behandeling zijn voor een psychose, blijkt dat er dus sprake is van slechts 18 studies. Dit valt niet goed te rijmen met het gegeven dat psychose een van de meest ernstige psychische aandoeningen is. Ook bleek minder dan de helft van alle studies een mediatie analyse te bevatten. De onderzoekers concluderen dat de resultaten van hun review erop wijzen dat manipulatieve experimenten en -interventies in potentie informatief zijn, maar nog onvoldoende worden toegepast voor een psychologisch begrip van psychose. Interessant is overigens dat, op vier studies na, alle onderzoeken plaats vonden in de laatste tien jaar, waarvan meer dan twee derde in de laatste vijf jaar. Er lijkt dus wel een gunstige tendens zichtbaar voor dit soort psychose onderzoek in de toekomst.

Brown, P., Waite, F., & Freeman, D. (2018). ‘Twisting the lion’s tail’: Manipulationist tests of causation for psychological mechanisms in the occurrence of delusions and hallucinations. Clinical Psychological Review

Artikel

Verhoogt vroege traumatisering de kans op een transitie naar psychose?

Gedachten Uitpluizen

Mensen met een psychose hebben in het verleden vaak te maken gehad met traumatische ervaringen. Ook bij cliënten met een verhoogd risico op psychose (UHR) werd dit gevonden. Of vroege traumatisering er ook voor zorgt dat er een verhoogde kans is op een transitie naar psychose bij UHR cliënten is nog niet systematisch onderzocht, tot nu.

Veel studies zijn het erover eens dat UHR cliënten vaak vroege traumatische ervaringen hebben meegemaakt. Waar studies op verschillen is of deze ervaringen ook bijdragen aan het ontwikkelen van een eerste psychotische episode als je al een UHR-profiel hebt. Aan de hand van een review en meta-analyse probeerden de onderzoekers deze vraag te beantwoorden.

In deze studie werden de prevalentie en ernst van vroege traumatische ervaringen (o.a. verwaarlozing, seksueel of fysiek misbruik, pesten of het verliezen van een ouder) bij UHR cliënten onderzocht, en of deze ervaringen bijdroegen aan het doormaakten van een transitie naar psychose. Er werden 17 studies gevonden voor de review, waarvan er 14 meegenomen konden worden in de meta-analyse.

UHR cliënten hadden ernstigere traumatische ervaringen meegemaakt vergeleken met controles, ongeacht wat voor ervaringen dit waren. Vergeleken met controles is de kans dat UHR cliënten emotioneel misbruikt waren 5.5 keer groter. Voor fysiek misbruik was dit 2.5 keer en voor pesten 3.1 keer. Traumatische ervaringen bleken echter binnen de groep UHR-cliënten niet de kans op een transitie naar psychose te vergroten (gebaseerd op 4 studies in de meta-analyse). Voor seksueel misbruik werd dit wel gevonden, alleen lijkt het erop dat dit effect voornamelijk uit één studie voortkwam.

Omdat in de UHR populaties een vrij groot percentage vroege traumatisering heeft meegemaakt, is het lastiger een effect te vinden, zeker als de samples klein zijn. Toch lieten de studies samen zien dat vroege traumatisering geen risicofactor is om een transitie naar psychose door te maken. Wel komt traumatisering veel meer voor onder UHR cliënten dan bij controles.

Trauma geeft dus wel degelijk een groter risico op psychose, en doet dat vermoedelijk vooral via grotere kans op het ontwikkelen van een UHR-profiel. Is dat profiel eenmaal een feit, dan hebben cliënten die daaraan zijn gaan voldoen via trauma, in vergelijking met cliënten die daaraan zijn gaan voldoen zonder trauma, geen hogere transitie-ratio’s.

Peh, O. H., Rapisarda, A., & Lee, J. (2018). F131. Childhood Adversities In People At Ultra-high Risk (uhr) For Psychosis: Systematic Review & Meta-analysis. Schizophrenia Bulletin, 44(suppl_1), S270-S271. Artikel

Grootheidswanen – ondergeschoven kindjes?

Gedachten Uitpluizen

Grootheidswanen zijn – na paranoïde wanen- de meest voorkomende vorm van wanen. Naar achterdocht en paranoïde wanen wordt veel onderzoek gedaan. We krijgen dan ook steeds meer zicht op de achterliggende mechanismen en van daaruit aangrijpingspunten voor de psychologische behandeling ervan. Heel anders is het bij grootheidswanen. Er wordt verbazingwekkend weinig onderzoek naar gedaan en er is dus ook weinig bekend over mogelijkheden voor behandeling. En dat terwijl grootheidswanen als overwaardige ideeën heel intrigerend zijn.

Iemand met een grootheidswanen heeft een onjuiste overtuiging over zijn of haar bijzondere talenten, macht, kennis of identiteit. In de huidige studie wordt onderzocht in hoeverre grandiositeit samenhangt met andere psychotische klachten, maar ook met optimisme en gevoeligheid voor beloning. Dit wordt onderzocht in 115 mensen met schizofrenie. Jammer is wel dat niet specifiek gezocht is naar mensen met grootheidswanen en dat voor het meten van grandiositeit gebruik gemaakt wordt van één item op de PANSS (een meetinstrument voor een breed scala aan psychotische symptomen). De scores op dit item zijn over het algemeen vrij laag en daardoor is het lastig om conclusies te trekken. Maar goed, het is een begin.

De auteurs vinden dat grandiositeit samenhangt met het hebben van positieve verwachtingen voor de toekomst (optimisme) en niet met negatieve of neutrale verwachtingen. Mogelijk zorgt dit, samen met andere cognitieve biases, voor de instandhouding van de grootheidsideeën. Er werd minder bewijs gevonden voor een samenhang tussen grootheidsideeën en gevoeligheid voor beloning. De auteurs suggereren dat dit misschien een kleine rol speelt maar dat andere factoren belangrijker zijn. Uit de analyses bleek verder dat de ernst van grootheidswanen sterk samenhangt met de ernst van andere positieve psychotische symptomen en dan met name hallucinaties. Mogelijk vormen deze wanen een reactie op het ervaren van hallucinaties. Dit is iets wat vaker wordt gesteld in theoretische modellen rondom waanvorming. Bijzondere belevingen kunnen leiden tot bijzondere overtuigingen. Tenslotte is nog specifiek gekeken naar het verschil tussen achterdocht en grootheidswanen. Uit deze analyses bleek dat achterdocht samenhangt met negatieve verwachtingen over de toekomst. Mogelijk zijn de positieve verwachtingen voor de toekomst (optimisme) dus specifiek voor grootheidsideeën.

Deze studie vormt een aanzet voor meer onderzoek naar grootheidswanen. De auteurs benadrukken dat het belangrijk is om te vragen naar de manier waarop mensen kijken naar de toekomst omdat het relevant is voor het beter begrijpen van de vorming van wanen. Verder sluiten ze zich aan bij een hypothese van eerdere auteurs, namelijk dat grootheidswanen een compensatie kunnen vormen voor onderliggende gevoelens van eenzaamheid, waardeloosheid en machteloosheid. Grootheidswanen zouden een manier zijn om een meer optimistische kijk op de toekomst te krijgen en controle en macht over hun leven terug te krijgen.

En de belangrijkste boodschap van dit artikel: zie grootheidswanen niet over het hoofd!

C. Bortolon, H. Yazbek, J. Norton, et al., 2019. The contribution of optimism and hallucinations to grandiose delusions in individuals with schizophrenia. Schizophrenia Research, Artikel

Psychotische ervaringen bij autochtone en allochtone Nederlanders en de rol van discriminatie en etnische identiteit

Gedachten Uitpluizen

Uit allerlei onderzoeken weten we dat etnische minderheden een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van een psychose. Psychotische ervaringen komen vaker voor dan een volledige psychose en zijn daar soms een voorloper van. Is er een verschil tussen autochtone versus allochtone Nederlanders voor wat betreft de prevalentie van psychotische ervaringen? En in hoeverre hangt dit samen met discriminatie? En wat is de invloed van het gevoel van verbondenheid met de Nederlandse cultuur of de oorspronkelijke cultuur?

We weten dat er in de adolescentie geregeld psychotische ervaringen optreden, die vaak uit zichzelf zonder enige vorm van behandeling weer verdwijnen. Toch zijn deze ervaringen geassocieerd aan een hoger risico op het ontstaan van een psychose. Daarbij is bekend dat allochtone Nederlandse jongeren vaker psychotische ervaringen rapporteren in vergelijking met de Nederlandse autochtone groep. Een hypothese is dat mensen die tot een etnische minderheid behoren – vooral naarmate ze in kleinere getallen leven tussen een autochtone meerderheid – een verhoogde kans hebben op psychose, mogelijk doordat ze meer discriminatie ervaren en vaker het gevoel hebben er niet bij te horen. Waarbij de etnische identiteit (in hoeverre iemand op zijn eigen groep gericht is) mogelijk een grote rol speelt. Het is namelijk bekend dat een zwakke en negatieve etnische identiteit – dat wil zeggen dat iemand zich of volledig aanpast aan de Nederlandse groep waardoor de eigen culturele vrijwel verdwijnt (=assimilatie) of dat iemand zich weinig identificeert met beide culturen (=marginalisatie) – een risicofactor zijn voor schizofrenie. Terwijl een sterke identificatie op iemands eigen etnische groep (=separatie) juist een beschermfactor is en beschouwd wordt als een positieve etnische identiteit. Ook een gedeeltelijke aanpassing aan de Nederlandse cultuur met behoud van eigen cultuurkenmerken (=integratie) wordt gezien als een positieve etnische identiteit en dit blijkt gunstig voor de mentale gezondheid.

In deze studie hebben ze de verschillen in de prevalentie onderzocht van psychotische ervaringen bij autochtone en allochtone Nederlandse adolescenten, alsook de relaties tussen psychotische ervaringen, zich gediscrimineerd voelen en de etnische identiteit. Dit onderzoek is onderdeel van het MasterMind project, waarbij op 13 middelbare scholen in Nederland gescreend wordt om beginnende psychische klachten op te sporen en preventieve trainingen aan te bieden.

Er is data gebruikt 1294 adolescenten: 68.9% had een Nederlandse achtergrond, 13.3% een Marokkaans-Nederlandse achtergrond, 10.7% Turks-Nederlandse achtergrond, 4% een Surinaams-Nederlands achtergrond, en 2.6% een Antilliaans-Nederlands achtergrond.

Van deze groep is het schoolniveau in kaart gebracht, de PQ-16 is gebruikt om psychotische ervaringen met lijdensdruk in kaart te brengen, en de ‘Psychological Acculturation Scale (PAS)’ werd gebruikt om de etnische identiteit te meten. Ook werden er vragen gesteld over individuele ervaringen van discriminatie (op basis van huidskleur, etniciteit of religie) en groepsdiscriminatie (op straat, school, winkels, of bij de politie).

Ongeveer 10-15% van de adolescenten had psychotische ervaringen, maar er zijn geen significante verschillen gevonden tussen de etnische groepen. Mogelijk valt dit te verklaren door het feit dat de ervaringen nog niet persisterend en relatief mild zijn. Wel bleek dat allochtone Nederlanders zich vaker gediscrimineerd hebben gevoeld op individu en groepsniveau in vergelijking met de autochtone Nederlanders. Ook bleek dat etnische minderheden die zich op individueel niveau gediscrimineerd hebben gevoeld significant vaker psychotische ervaringen rapporteerden. Integratie was de meest voorkomende etnische identiteit onder de Marokkaans-Nederlandse jongeren (38%), separatie was het meest voorkomend onder de Turks-Nederlandse (56%) en de Antillaans-Nederlandse jongeren (38%), en de Surinaams-Nederlandse jongeren rapporteerden vooral assimilatie (58%). De adolescenten met een zwakke etnische identiteit bleken twee keer zoveel kans te hebben op psychotische ervaringen en drie keer zoveel kans op hallucinaties.

Er zitten wel verschillende beperkingen aan dit onderzoek, maar in de klinische praktijk zou dit onderzoek kunnen betekenen dat het versterken van een positieve etnische identiteit een beschermende factor tegen psychotische ervaringen kan zijn.

El Bouhaddani, S., van Domburgh, L., Schaefer, B., Doreleijers, T.A.H., & Veling, W. (2019). Psychotic experiences among ethnic majority and minority adolescents and the role of discrimination and ethnic identity. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol. 2019
Artikel