PTSS met milde psychose: effect van traumagerichte behandeling.

Gedachten Uitpluizen

Wie een PTSS heeft, heeft ook een verhoogde kans op psychose-achtige ervaringen. En als iemand die heeft, maakt dat dan wat uit voor traumabehandeling? Wat doen milde hallucinaties of achterdocht, als bijverschijnsel van PTSS, tijdens en na traumagerichte behandeling?

Milde psychotische klachten, verder aan geduid als PLEs (naar het Engelse psychotic-like experiences), komen transdiagnostisch voor bij tal van classsificaties in de DSM5. PLEs zijn de mildste uitingen van klachten op het psychose-continuüm: laagfrequent, kortdurend en/of laag-intrusief. PTSS verhoogt de kans op PLEs en niet alleen dat: er zijn aanwijzingen voor het bestaan van een PTSS-PLEs-subtype.

Hoe dan ook: de vragen die de onderzoekers zich stelden waren hoe PLEs samenhangen met PTSS symptomen, en hoe PLEs reageren op PTSS behandeling.

De Amerikaanse onderzoekers vergeleken in een gerandomiseerde studie (N=161) de effecten van PTSS behandeling (gecombineerde condities van virtual reality therapie (VR) en van prolonged exposure therapie (PE)) met de effecten van een PTSS wachtlijst (WL) bij soldaten, die PTSS opliepen na traumatisering tijdens buitenlandse missies.
Aanwezigheid en ernst van de PTSS werd met het Klinisch interview PTSS-IP-DSM IV (KIP-IV) en de PTSD checklist (PCL) gemeten. PLEs werden gemeten aan de hand van de vier ‘psychose’-items van de algemene klachtenschaal The Behavior and Symptom Identification Scale, Revised (BASIS-24): grootheidsgedachten, auditieve of visuele hallucinaties en paranoia (uitgesplitst naar betrekkingsideeën en achtervolgingsideeën). Deelnemers ontvingen 10 sessies (90-120 minuten) ‘klassieke’ PE of de VR exposure-variant, of WL. In de data-analyse zijn de PE- en VR- groepen tot één groep ‘trauma focused treatment’ samengevoegd.

Onderzoeks-drop out (attrition) was 43% (!) in de therapiegroepen, en 15% in WL.
De proefpersonen scoorden in de range 0-4 gemiddeld bijna 0 op grootheidsgedachten, 1 op hallucinaties en 2 op paranoia. Paranoia bleek in een predictormodel statistisch vooral samen te hangen met PTSS vermijdingssymptomen, en hallucinaties vooral met PTSS herbelevingssymtomen. Paranoia en hallucinaties verminderden sterker in de behandelgroepen dan in WL. Hoe sterk de PTSS zelf daalde vermeldt het artikel niet.

Het artikel bedoelt het goed, de auteurs willen expliciet de resultaten van de Nederlandse TTIP studie uitbreiden naar PLEs in PTSS. Maar de uitwerking is niet sterk. De grootste tekortkoming is dat ze een zwakke maat voor PLEs gebruikten: vier vragen uit een lijst, geen interview, met overlap met PTSS symptoomomschrijvingen. De auteurs hadden ook beter een groep kunnen includeren die gegarandeerd PTSS mét PLEs had, want er zaten nu behoorlijk wat nulscoorders op PLEs tussen, waardoor de studie inboet aan scherpte; ze hadden de resultaten op PTSS moeten vermelden, al was dat niet hun primaire uitkomst; veel mensen vielen uit de studie; ze hadden aparte resultaten voor VR en PE kunnen geven, zodat we weten welke therapie wellicht betere effecten op PLEs had. Het artikel is door deze gebreken mistig en wekt de indruk van weinig toch nog iets te hebben willen maken.

Desalniettemin: het zou kunnen dat relatief milde paranoia en hallucinatiegevoeligheid verminderen door PTSS-behandeling. Paranoia ging ook omlaag in de TTIP studie na PTSS behandeling. Stemmen horen echter niet. Het zou kunnen dat ernst uitmaakt: dat milde psychose symptomen mee verbeteren door PTSS behandeling, maar dat ernstigere psychose symptomen er niet vanzelf positief door veranderen, ongeacht of trauma een rol had in hoe de psychose symptomen zijn ontstaan. Toekomstig onderzoek moet het uitwijzen!

Buck B, Norr A, Katz A, Gahm GA, Reger GM. Reductions in reported persecutory ideation and psychotic-like experiences during exposure therapy for posttraumatic stress disorder. Psychiatry Res 2018.

Artikel