Door Eva de Bruin
Wetenschappelijk bewijs voor de behandeling van een schizotypische stoornis is beperkt en blijft daarmee een behandelrichtlijn uit. In deze systematische review wordt het bewijs voor farmacotherapeutische en psychologische interventies bekeken. Hebben zij een effect op klinische symptomen, cognitie en functioneren bij mensen met een schizotypische stoornis?
Mensen met een schizotypische stoornis vallen in de hoog risicogroep om psychotisch te worden. Toch ontwikkelt het merendeel geen psychose. Binnen de ICD-10 valt de stoornis onder de schizofreniespectrum stoornissen, terwijl de DSM-5 het gecategoriseerd heeft binnen de persoonlijkheidsstoornissen. Het wordt gekarakteriseerd door emotionele afstandelijkheid, excentriek gedrag, sociale terugtrekking, magisch denken, paranoïde ideeën (met uitzondering van wanen), obsessieve piekergedachten, ongewone perceptuele ervaringen en vage spraak. Mensen met een schizotypische stoornis hebben vaak last van cognitieve en functionele beperkingen. Tot op heden bestaat er geen evidence based behandelrichtlijn. Vaak bestaat de behandeling uit cognitieve gedragstherapie, als eerste keus interventie, en een lage doses, tweede generatie antipsychoticum als de klachten blijven bestaan. Eerder onderzoeken hebben geen effect van behandeling gevonden, omdat de groep van mensen met een schizotypische stoornis zeer heterogeen is en het kleine studies waren.
Voor deze review zijn 21 nuttige studies gevonden. In 15 studies hiervan werden farmacotherapeutische interventies onderzocht; veelal antipsychotica, maar ook antidepressiva, de combinatie van antidepressiva en antipsychotica, stimulerende middelen voor het centrale zenuwstelsel, dopamine-agonisten en centraal werkende alfa-2a-agonisten en cholinomimetica werden onderzocht. Hieruit bleek dat thiothixene (niet geregistreerd in Nederland) enig effect had op het verminderen van psychiatrische klachten. In mindere mate werd dit gevonden voor risperidon, olanzapine en haloperidol. Cognitieve klachten leken te verbeteren met dopamine agonisten en centrale alfa 2A agonisten, zeker als ze gecombineerd werden met cognitieve remediatie therapie en sociale vaardigheidstraining.
De psychologische behandelingen varieerden nogal van inhoud en duur, sommigen duurden bijvoorbeeld 6 maanden, sommigen 2 jaar. Metacognitieve georiënteerde therapieën en evolutionaire systeemtherapieën hadden een positief effect op klachtvermindering. Negatieve symptomen en het risico op een psychose werden tijdelijk verminderd door geïntegreerde interventies, waarbinnen CGT een rol had. Een combinatie van farmacotherapie en psychosociale interventies (met ook CGT) hadden een positief effect op het functioneren van mensen.
Echter over alle interventies is het bewijs voor de werkzaamheid bij een schizotypische stoornis laag tot zeer laag.
Er zijn op dit moment weinig bewezen behandelingen voor een schizotypische stoornis en de behandeling die er zijn, zijn divers. Er is behoefte aan meer en kwalitatief beter onderzoek om het effect van behandeling op het klinische, cognitieve en functionele domein vast te stellen. Daarna kunnen er richtlijnen voor behandeling op basis van wetenschappelijk bewijs gemaakt worden.
Artikel