Door Paul de Bont

Wie in de psychose vroegdetectie (EDI/VIBE) werkt, weet dat in het CAARMS-interview waarnemingsstoornissen zoals hallucinaties in meer of minder sterke intensiteit of frequentie kunnen worden gescoord. Dat suggereert dat hallucinaties op een continuüm liggen, net zoals paranoia. Maar klopt dat wel? Er is nog maar weinig onderzoek naar gedaan. Deze onderzoekers pakten de vraagstelling op.

Bij paranoia is er overeenstemming dat ervaringen van achterdocht dimensioneel verdeeld zijn in de populatie van geheel afwezig tot extreem sterk aanwezig. Maar die duidelijkheid is er niet voor alle psychosespectrumklachten. Zo ook niet voor hallucinaties. Die discussie bestaat nog steeds. Daarom wilden de onderzoekers de onderliggende structuur van hallucinaties exploreren, in zowel de niet-klinische als de klinische populatie.

De onderzoekers gebruikten een database met scores op de Launay-Slade Hallucinations Scale revised(LSHS-R). De LSHS-R is een 12-item zelfrapportage schaal die hallucinatie-dispositie meet. De LSHL_R vraagt verschillende vormen van bijzondere waarnemingsverschijnselen na, waaronder levendige mentale beelden, auditieve en visuele ervaringen en ervaringen met een religieus thema (de religie-items werden in dit onderzoek geëxcludeerd). De schaal wordt als regel gebruikt in de niet-klinische populatie, en in mindere mate bij zorggebruikers. De Totaalscores variëren van 0 tot 48, waarbij hogere scores duiden op een grotere aanleg voor hallucinaties. De n=290 ‘klinische’ deelnemers met een vorm van psychotische stoornis scoorden gemiddeld 22.3 (SD 10.8). De n=1580 deelnemers ‘niet-klinisch’ scoorden significant lager met een gemiddelde van 15.7 (SD 9). Berekeningen zijn gedaan over de niet-klinische groep en over de totale groep van N=1870 deelnemers.

De statistische analyse van de LSHS-R-data gebeurde met taxometrische methoden. Taxometrische methoden worden gebruikt om te bepalen of de onder een variabele liggende structuur beter past bij een categoraal structuurmodel (taxonomie) of bij een continuüm-model (dimensie). Taxometrische methoden berekenen in essentie of er (dis)continuïteit is in het symptoomspectrum. Kunnen hallucinaties beter begrepen kunnen worden als een discrete categorie (je hebt ze, of niet) of als een variatie over een continuüm (de ernst of intensiteit varieert)?

De onderzoekers voerden 6 analyses uit, drie op de groep niet-klinisch en drie op de totale groep. Drie van de 6 analyses – twee in de totale groep en een in niet-klinisch – eindigden onbeslist m.b.t. ‘taxon’ versus ‘dimensie’. De andere drie analysen – twee in niet-klinisch, 1 in totaal – gaven sterke steun aan een dimensioneel model. De resultaten wijzen dus meer op een dimensionele structuur van hallucinaties; zeker in de niet-klinische populatie.

Er is nogal wat aan te merken op de studie. De groep ‘niet-klinisch’ bestond uit een selecte groep van universiteitsstudenten. De groep klinisch bevatte relatief weinig cliënten met ernstige psychoseklachten. De LSHS-R bestrijkt maar een deel van de zintuigmodaliteiten waarin bijzondere waarnemingen kunnen voorkomen en is zwak geassocieerd met de hallucinatieschaal van de PANSS.

Ondanks de zwaktes van de studie is het goede nieuws dat het steun vormt voor vroegdetectie. De aanname is toch dat waarnemingsstoornissen dimensioneel gestructureerd zijn. En dus is het zinvol om ze in een mild/vroeg stadium op te sporen en te voorzien van juiste psychoeducatie en eventueel behandeling.

Elahi, A., Fletcher, C., Perez Algorta, G., White, R. G., & Bentall, R. P. (2025). Do hallucinations
exist on a continuum with subclinical hallucinatory experiences? A multi-method taxometric study. Schizophr Res, 281, 223-228.

Artikel