Icoon
WvdT Angst voor terugval

Voor veel mensen is het doormaken van een psychose een nare, soms zelfs traumatische ervaring. Zowel cliënten als therapeuten zijn er daardoor op gebrand een terugval zo goed mogelijk te voorkomen. Psychose klachten kunnen ontstaan of toenemen in tijden van spanning en stress. Om terugval te voorkomen, lijkt het dan ook logisch om stress en spanning zoveel mogelijk te vermijden.

Om deze reden vragen veel cliënten en therapeuten zich af of het wel verstandig is om na een psychose weer actiever te worden en deel te nemen aan het drukke dagelijkse leven. Maar ook als je als therapeut denkt dat dit wel kan, krijg je regelmatig vragen van collega’s: “Joh, kan dat wel, ben je niet bang dat ze weer psychotisch wordt?”

Literatuur en onderzoek geven geen duidelijke antwoorden op dit dilemma. Wel weten we dat niks doen ook schadelijk kan zijn en het in meer of mindere mate meedraaien in de maatschappij belangrijk is voor herstel. Over het algemeen adviseren we dan ook om activiteiten gewoon op te bouwen en samen goed te monitoren hoe dit verloopt.

Het kan goed werken om samen na te gaan wat er als eerste te zien of te merken is, mocht het minder goed gaan. Een WRAP of signaleringsplan biedt hiertoe handvatten. De vrees om activiteiten weer op te pakken kan hiermee deels gecoupeerd worden.

WRAP staat voor: Wellness Recovery Action Plan.
Het is een herstelmethode die je helpt om weer grip te krijgen op je leven, als dat door ingrijpende gebeurtenissen is ontregeld. WRAP komt uit Amerika. Je kunt het alleen doen, met andere peers, met een herstelcoach of in een groep.Meer informatie: www.psychosenet.nl/herstel/wrap

Daarnaast is het zinvol om eventuele disfunctionele gedachten over het weer oppakken van activiteiten uit te dagen. Onderzoek naar deze angstige verwachtingen (‘als ik te veel prikkels krijg, word ik weer psychotisch’ of ‘ik kan helemaal niks meer aan’) kan je gebruiken om het weer oppakken van activiteiten in te kleden als een gedragsexperiment binnen cognitieve gedragstherapie: zoek met de client expres wat prikkels op en kijk wat er gebeurt. Ook andere tools die je gewend bent in te zetten ten tijde van een cognitieve gedragstherapeutische behandeling kun je hierbij gebruiken; denk aan een historische toets (hoe snel of langzaam ontstonden de psychotische episodes de vorige keer, en welke factoren speelden toen een rol?) of een taart diagram (welke factoren spelen bij jou allemaal een rol bij het ontstaan van een psychose en hoe groot is dan de kans dat je door een activiteit ontregelt?).

Meestal blijkt de angst onterecht. Houd echter wel goed contact tijdens de activatie en bespreek hoe het gaat. Zo onderzoek je samen hoeveel prikkels goed te doen zijn. Een belangrijke boodschap om aan cliënten mee te geven is: een psychose ontstaat meestal niet van de ene op de andere dag; dat gaat langzaam. Dus bij eerste signalen (niet goed slapen bijvoorbeeld, veel piekeren of erg negatief beginnen te denken) kan er prima een stapje terug gedaan worden. Dit soort strategieën staan ook kort samengevat in het GU-protocol voor demoralisatie.
 
Indien iemand drugspsychosen heeft gehad, dan kan een psychotische ontregeling overigens wel snel gaan. Bespreek dat het verstandig is om in de opbouwfase van de activering extra terughoudend te zijn met drugs. Ook bij manische psychoses kan het snel gaan, een crisis preventieplan is dan extra belangrijk, met extra letten op de stemming.